Jan Veth: verschil tussen versies

937 bytes toegevoegd ,  7 maanden geleden
voorjaar 1886, citaat
(citaat 1885 augustus)
(voorjaar 1886, citaat)
{{Citaat
| tekst = Ik ken de gebreken en deugden van mijn eigen werk nog niet. [..] Als ik mij zelf wel [= juist] ontleed, sta ik tusschen de jonge schilders, die ik ken, op een soort overgang. Knap is mijn werk niet, maar het bezit toch degelijker dingen dan dat van anderen, die echter iets veel artistiekers hebben. Zoo ben ik welbeschouwd niets, maar kan daarom toch misschien iets worden.
| bron = {{aut|Jan Veth}}, brief 9 augustus 1885, aan onbekend
| aangehaald = {{aut|Johan Huizinga}}, [https://www.dbnl.org/tekst/huiz003verz07_01/huiz003verz07_01_0043.php 'Vorming'], in ''Verzamelde werken. Deel 6. Biografie'', uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 350
| opmerking = De jonge Jan Veth troostte zich met wat een schilder hem gezegd had, dast hij erop rekende hem over tien of vijftien jaar te kunnen zien als een volgroeide kunstenaar. Met de 'jonge schilders' bedoelde hij de [[w:Amsterdams impressionisme|Amsterdamse Impressionisten]]
}}
 
{{Citaat
| tekst = Dat is alles portretten, portretten. Maar dat is zeer studieus. In het portret zoek ik nu iets nieuws. Ik wil minder droog, ik wil vetter, grondiger schilderen [..] [ook in zijn anderen werk:] Ik wil heel anders, frisscher, levensvoller, minder droog gaan schilderen, maar verval telkens tot mijn gebrek van dorre witheid.
| bron = {{aut|Jan Veth}}, brief voorjaar 1886, aan [[w:Etha Fles|Etha Fles]]
| aangehaald = {{aut|Johan Huizinga}}, [https://www.dbnl.org/tekst/huiz003verz07_01/huiz003verz07_01_0043.php 'Vorming'], in ''Verzamelde werken. Deel 6. Biografie'', uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 351
| opmerking = De brief schreef hij na zijn portret van Verwey, dat goed aansloeg in artistiek Amsterdam; er kwamen nu opdrachten van onbekende mensen. Maar ook was er de kritiek van [[w:Anton Mauve|'Meneer Mauve']] die soms heel complimenteus was, maar 'achteraan komen dan harde waarheden die ik zelf inzie'.
}}
 
{{Citaat
| tekst = Rembrandt, [[w:Jean-François Millet|Millet]] en [[w:Jacob Maris|Jaap [Maris],]] ziedaar het artistieke klaverblad wat mijn heilige drieëenheid is. [..] Eigenlijk ben ik tegenwoordig te ordinair gestemd om het sublieme van Jaap [Maris] volop te kunnen genieten, maar het blijft – A thing of beauty is a joy forever.
| bron = {{aut|Jan Veth}}, brief uit Dordrecht 26 december 1886, aan [[w:Etha Fles|Etha Fles]]
| aangehaald = RKD, [https://rkd.nl/nl/explore/excerpts/record?query=artistieke+klaverblad+&start=0 briefcitaat], in brievencollectie Jan Veth
| opmerking = Ondanks eigen financiële krapte kon hij zijn bewondering voor Maris aldus uitdrukken tijdens de Kerstdagen in Dordtrecht
{{Citaat
| tekst = Meneer Mau [[w:Anton Mauve|(= Mauve)]] heeft me aangeraden, in den Haag te gaan wonen, en ik denk er half over, maar zal toch nog eens zien. Kijk het is zoo: Ik vind Dort [Dordtrecht] enorm mooi. Als ik hier wandel word ik gek van al ’t moois en weet ik duizend dingen te maken – Maar ik maak er geen een. Ik ben hier niet genoeg bohemien, te veel burgerman. Te weinig artiest, te veel een jongen – mocht ik hier aan het ’t werk komen, ik zou orgineele dingen kunnen maken. Maar ’t zou ook wel kunnen dat ik er onderdoor ging.
| bron = {{aut|Jan Veth}}, brief uit Dordrecht 26 december 1886, aan [[w:Etha Fles|Etha Fles]]
| aangehaald = {{aut|J. Huizinga}}, [https://www.dbnl.org/tekst/huiz003verz07_01/huiz003verz07_01_0043.php 'Vorming'], in ''Verzamelde werken. Deel 6. Biografie'', 1950, p. 355
| opmerking = Er waren Jan Veth toen in Dordtrecht - waar hij woonde - bestellingen beloofd voor te maken werk, maar daar kwam niets van terecht; hij zat daardoor heel krap. Mauve raadde hem aan om naar Den Haag te vertrekken, waar meer kansen zouden liggen voor opdrachten
2.770

bewerkingen