Pyke Koch

Nederlands kunstschilder

Pyke Koch (Beek-Ubbergen, 15 juli 1901 - Wassenaar, 27 oktober 1991) was een Nederlandse kunstschilder en een belangrijke kunstenaar van het magisch realisme in Nederland.

Pyke Koch in zijn atelier; achter hem zijn schilderij 'De Oogst' uit 1953
Informatie bij zusterprojecten:
Wikipedia-logo.svg
artikel in Wikipedia
Commons-logo.svg
media bij Commons
Informatie in externe bronnen:
BP pagina in Biografisch portaal
DBNL pagina in DBNL
KB pagina in KB-catalogus
RKD pagina in RKD

Citaten van Pyke Koch - chronologischBewerken

Citaten voor 1950Bewerken

  • „Voor de keuze gesteld vlooien te moeten hebben ofwel theorieën over schilderkunst [..] kies ik: vlooien.”
  • „..[dat gefemel van]] hard, meedogenloos, dierlijk – waar moet dat naartoe, etc. etc. [..] Ik begrijp niet dat een mensch ’t liefelijke en de kracht in deze gezichten, ’t zachtmoedige, wat er voor mij duimendik op ligt b.w.v. zeggen niet kan of wil zien.Is dat omdat lieflijkheid en zachtmoedigheid in hun oogen hooren gepaard te gaan, hooren te stralen uit, een wat dom, en wat aesthetisch, argeloos en liefst nog maagdelijk gezicht. Terwijl ’t hier nu eens min of meer 'hard boiled' wijven zijn.”
  • Bron: Pyke koch, circa 1930-1939, ongedateerde brief aan Jan Engelman
  • Aanhaling(en): Claartje Wesselink, 'Collaborerende kunstenaars - Het Fascisme van Pyke Koch', in Kunstenaars van de Kultuurkamer, proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 2014 p. 132
  • Koch kreeg dergelijke kritiek voortdurend naar zich toe in de kunst-recensies van die jaren en maakte zich er flink kwaad over
  • „..antipathieke, domme, beginsellooze jodenhaterij', dat ’t voor een Jood niet erg is ergens vandaan verdreven te worden (al heeft hij daar zijn vrienden, z’n werkplaatsen, z’n materiaal en alles wat een mensch behalve z’n nationale gevoel aan ’n plek kan binden). [..] Een Jood wiens familie al lang er [..] woonde dan de jouwe hier in Holland ([..] antwoord me s.v.p. niet dat een niet-Ariër zich onmogelijk in de loop van vier eeuwen aan een Europeesche bodem kan hechten.)”
  • Bron: Pyke koch, brief 23 november 1933, aan George Labouchère; privéarchief A. Koch
  • Aanhaling(en): Claartje Wesselink, 'Collaborerende kunstenaars - Het Fascisme van Pyke Koch', in Kunstenaars van de Kultuurkamer, proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 2014 p. 136
  • Tijdens een bijeenkomst van zijn club 'Verdinaso' waar ook Labouchère bij aangesloten was, werden Freud en Einstein zwart gemaakt op grond van hun jood-zijn. Koch bekritiseerde dit fel en zegde in 1933 zijn lidmaatschap op, maar 'een rigoureus antisemitisme' zag hij daarentegen wél degelijk als rechtvaardig
  • „..heeft die vrouw in die schiettent niet iets van een idool? Een afgodsbeeld of liever een godin? – ’t laat zich eigenlijk ’t beste uitdrukken in ’t woord lyturgisch
  • Bron: Pyke koch, ongedateerde brief aan Jan Engelman, circa 1934
  • Aanhaling(en): Louis van Tilborgh, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 153; ISBN 90-6918-143-6
  • 'De Schiettent' schilderde Koch in 1931. In 'lyturgisch' zit een verwijzing naar de christelijke eredienst, maar ook naar de oud-Griekse volksdienst: bijv. een opvoering met zangers op straat bij een bijzondere gelegenheid
  • „Deze schilderij is zoo // geschilderd dat zij // gedurende zéer // langen tijd geen // vernis nodig heeft. // Mocht afwrijven met brood // tenslotte de glans niet terugbrengen // dan kan men de schaduw [schaduw is onderstreept] partijen // in 't gezicht zeer dun // vernissen met vernis à retoucher // van Vibert (Lefranc) // (géén andere soort!)”
  • Bron: Pyke koch 1937, opschrift op de achterzijde van zijn schilderij 'Zelfportret met zwarte band', van 1937
  • Aanhaling(en): Centraal Museum Utrecht, objectgegevens van 'Zelfportret met zwarte band'
  • Dit is het heel gedetailleerde opschrift op de achterzijde van het doek, in inkt. Ook staat er een signatuur en datering op lijst m.o. (met witte verf): 'Pyke Koch - '37'; dit was zijn laatste zelfportret van drie stuks die hij tussen 1931-1937 schilderde
  • „Zoo waren we nà de oorlog [na 1918]. We begrepen – ik bedoel: begré-é-é-pen: hoeren; we begrépen: moordenaars – Enfin van puur begrip ontstond een soort bordeelsnobbisme, een soort van overcompensatie in die richting – en nu, natuurlijk, wordt, door de generatie die te jong was om daarin te verkalken, de daad heel bar hooggeschat, het intellect was te hoog, te eenzijdig ten troon geheven. [..] (ik zag dergelijke zaken in ’t naoorlogs Berlijn en vond ’t toen ook best; en vond mijzelf erg verlicht dat ik ’t zoo best vond!) – ‘geen vooroordelen hebben’ heette dat, dat was ueberhaupt ’t tooverwoord 1920-1930.)”
  • Bron: Pyke koch, brief ongedateerd, c. 1939, aan zijn zus Jo Planten-Koch; RKD: Planten, inv.nr. 2.
  • Aanhaling(en): Claartje Wesselink, 'Collaborerende kunstenaars - Het Fascisme van Pyke Koch', in Kunstenaars van de Kultuurkamer, proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 2014 p. 135
  • Koch keek terug op de vrije sfeer tijdens zijn eigen puberteitsjaren van na circa 1918, en de latere tegenreactie daarop
  • „Een typisch] Noord-Nederlandsche hand [.. en] er zijn er meer. Het werk van mannen als Willink en Hynckes is naar den geest door en door on-democratisch, anti-parlementair! Het ademt: spanning, discipline, grondige vakkennis.. Hier staan menschen, die, uit den chaos, welke het Fransche impressionisme ons in technisch opzicht naliet, met ijzeren wil, eindeloos geduld en doorzettingsvermogen zich de technische wapenen vervaardigd hebben [..] hun artistieke idealen met een stijgend meesterschap te verwezenlijken.”
  • Bron: Pyke Koch, , in het nationaal-socialistische blad De Waag, augustus 1940
  • Aanhaling(en): Marja Bosma, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 99; ISBN 90-6918-143-6
  • Koch wilde niet dat het nationaal-socialisme de kunstenaars proletarische onderwerpen zou gaan voorschrijven, zoals in Duitsland. Want het 'nationale' in de kunst drukte zich niet zozeer uit met een volks onderwerp, maar vooral door de stijl van schilderen
  • „..dat de nationaal-socialistische gedachte voor Europa in de komende eeuwen de waarheid is, en het leven zal gaan toenemen in hevigheid en grootheid, dan zal de Kunst zeker op de eerste wezenlijke rillingen in de geestelijke atmosfeer reageeren.”
  • „De Nationaal-socialistische revolutie heeft een generatie voortgebracht, bezield van een zelfopoffering, daadkracht en militaire heroïek. Dit zijn de eigenschappen, welke, indien ze langzamerhand de geheele geestelijke atmospheer van de volken, die bij deze revolutie betrokken zijn, gaan doordringen, op de kunst van grooten en bezielenden invloed kunnen zijn. [..] Duitschland en Italië brachten in de beslissende ure van hun bestaan elk een geniaal leider op, en bovendien nog een aantal groote, onversaagde, overtuigende mannen, die hen bij hunne gigantische taken ter zijde stonden.”
  • „..jij hoeft aan niets mee te werken! Dat een in Parijs werkende Jood niet op een inventarislijst van Nederlandsche artisten zal figureeren daarvoor zullen heel anderen dan jij zorgen. Wanneer er echter te zijner tijd adviezen zullen moeten gegeven worden inzake staatsopdrachten enz. Dan moet er een overzicht zijn van de menschen. [..] Wat zijn volgens jou de 15 beste Ned. (p. 191)

schilders en welke beeldhouwers. Hoeveel staan er in dat boek van Plasschaert? [..] Maak anders een lijst van jezelf en schrijf me even de namen..”

  • Bron: Pyke koch, brief najaar van 1941, aan Jan Engelman
  • Aanhaling(en): Annemarie Timmer-van Eunen, Men voelt het of men voelt het niet: de kunstkritiek van Jan Engelman, promotie-onderzoek, Universiteit van Groningen - faculteit Filosofie 2007, pp. 190+191
  • In 1941 schreef Engelman zijn monografie over Pyke Koch en werd in diezelfde tijd door de schilder benaderd om mee te werken aan de samenstelling van een rijkscollectie van Nederlandse kunst, met steun van de Duitse bezetting. De anti-fascist Engelman voelde daar weinig voor en 'drukte' zich
  • „In deze jaren heb ik pas begrepen dat K. [ de schrijver Franz Kafka ] aanmerkelijk dichterbij de werkelijkheid staat dan ik vroeger dacht [..] Hij leefde onder ’t overheidsapparaat van de Donaumonarchie – En dat apparaat had natuurlijk in wezen veel gemeen met wat we nu hebben leeren kunnen: beiden in wezen Duitsch. Boeken als der Proces en der Schloss komen mij nu voor nog grootscher en vooral ernstiger en noodlottiger te zijn dan waar voor ik ze al ooit had gehouden. Omdat dàt erin plotseling op je afkomt als een ernstige, ijzeren, dwingende werkelijkheid.”
  • Bron: Pyke koch, brief 1942, aan de schrijver Simon Vestdijk
  • Aanhaling(en): Claartje Wesselink, 'Collaborerende kunstenaars - Het Fascisme van Pyke Koch', in Kunstenaars van de Kultuurkamer, proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 2014 pp. 141-142
  • Koch beschreef hoe hij toen die jaren door Kafka was gegrepen; in de twee genoemde romans had hij een nieuwe en actuele betekenis onderkend waar hij zelf ook in leefde
  • „Een heer van de pra [Politieke Recherche, Afdeling Utrecht] , toont momenteel eenige belangstelling voor mijn nietig persoon. Ik gaf als gunstige referentie jou op in de overtuiging dat je bereid zult zijn, hem te vertellen dat ik een voorbeeld van patriottisme, democratische gezindheid etc etc was, ben, en zijn zal. Men verdenkt me lid geweest te zijn der N.S.B. Voor het geval de man werkelijk bij je komt, (wat ik betwijfel) moet je hem maar duidelijk zien te maken dat er nooit een grootere N.S.Bër treiter was dan ik. [..] Ik maakte een klein schilderijtje getiteld glijbaan, het zijn nonnetjes die glijbaantje spelen op de achtergracht, achter een kloostermuur. Komt dat zien. Pyk”
  • Bron: Pyke koch, brief april 1947, aan Jan Engelman
  • Aanhaling(en): Annemarie Timmer-van Eunen, Men voelt het of men voelt het niet: de kunstkritiek van Jan Engelman, promotie-onderzoek, Universiteit van Groningen - faculteit Filosofie 2007, p. 191
  • Met de laatste opmerking probeerde hij zijn schildersvriend te paaien om mee te gaan in zijn 'spelletje'. Koch had zelf beter kunnen weten, gezien zijn eigen ondubbelzinnige pro-duitse publicaties in het blad De Waag van 1940 en 1941. Pas na 1942 nam hij afstand toen het blad de kant koos van de Nederlandse S.S.

Citaten na 1950Bewerken

  • „Ze betekent zoveel voor me. Natuurlijk berust ze op iemand.”
  • Bron: Pyke Koch, 'Als ik schilder vergeet ik alles', in Haagse Post, 4 juli 1964, p. 18
  • Aanhaling(en): Louis van Tilborgh, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 165; ISBN 90-6918-143-6
  • 'Bertha van Antwerpen' schilderde Koch in 1931. De figuur van Bertha werd nog eens afgebeeld in zijn latere werk 'Vrouwen in de straat' uit 1962-64 - waarna hij mysterieus deze bekentenis deed en er bewust niet bij vermeldde wie deze 'Bertha' was geweest in zijn eigen leven
  • „Als hij [ Armando ] dat zegt, dan moet het ondanks alle vreselijke gebreken toch iets hebben.”
  • Bron: Pyke Koch c. 1972-74, opmerking van Armando tegen Koch, over zijn werk 'Het Wachten'
  • Aanhaling(en): Carel Blotkamp, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 25; ISBN 90-6918-143-6
  • Zijn werk 'Het Wachten' uit 1941 zag Koch slechts als een studie (in tempera en krijt op papier) voor een te maken schilderij. In 1975 hoopte hij op een opdracht daartoe van museumdirecteur Edy de Wilde, die echter niet kwam
  • „De Koordanser (’69-70) – voltooid Jan. ’73. Mag niet geexposeerd worden. Mag niet verkocht worden. NB. De trui niet vernissen. Voor Flok wiens voeten op dit koord staan, F.M.A. Koch”
  • Bron: Pyke Koch, opschrift achterzijde van schilderij 'De Koordanser II', 1973
  • Aanhaling(en): Carel Blotkamp, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 237; ISBN 90-6918-143-6
  • 'De Koordanser'-schilderijen zijn Kochs laatste werken, waarvan hij 3 versies maakte. Flok was zijn zoon die balletdanser werd; een pijl verbindt hun twee namen
  • „Magisch realisme bestaat bij de gratie van ambiguïteit, dat de bron is van een fascinatie die op een heel ander niveau ligt dan die van schoonheid (of moraliteit).”
  • „Hoewel ik altijd al van handwerk hield, was ik nooit zo dol op schilderen. Ik deed het om een doel te bereiken: om in verf dat beeld tot stand te brengen dat me vaak jarenlang al achtervolgde, voordat ik het begon te schilderen. [..] elke keer als ik een nieuw onderwerp ter hand neem., moet ik de gehele werkwijze opnieuw uitvinden..”
  • Bron: Pyke Koch 1976, geschrapt typoscript; definitieve versie in Contemporary Artists, Colin Naylor, Genesis Porridge (ed.), St James Press Ltd., London / St. Martin’s Press Inc., New York 1977, pp. 492-493
  • Aanhaling(en): Carel Blotkamp, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, pp. 18-19; ISBN 90-6918-143-6
  • Voor elk schilderij doordacht Koch de afbeelding, maar ook de technische aspecten tot in de kleinste details; soms kostte dit hem voordat het feitelijke schilderen kon beginnen
  • „Omdat mijn techniek het mij onmogelijk maakt een schilderij in korte tijd af te werken, moet ik mijn enthousiasme afzwakken en het gaande houden zonder het te laten vervagen; soms een half jaar of langer. Dit beroofde me van de vreugde van het creëren in een paar dagen, in een succesvolle wilde aanval..”
  • Bron: Pyke Koch 1976, geschrapt typoscript; definitieve versie in Contemporary Artists, Colin Naylor, Genesis Porridge (ed.), St James Press Ltd., London / St. Martin’s Press Inc., New York 1977, pp. 492-493
  • Aanhaling(en): Carel Blotkamp, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 19; ISBN 90-6918-143-6
  • In zijn vroegere schilderperiode tot circa 1932 schilderde Koch weliswaar iets sneller - maximaal 5 schilderijen per jaar. Daarna duurde het al snel een tot twee jaar voordat een doek af kwam
  • „Omdat mijn werk bestempeld wordt als "magisch realisme", kan het zinvol zijn te bedenken dat – hoewel het "magische realisme" enige decennia geleden werd gepresenteerd alsof het een nieuwe uitvinding was – het zo oud is als de schilderkunst zelf. Een zekere Piero della Francesca was bijvoorbeeld een magisch realist, en wij kunnen het erover eens zijn dat hij niet de minste was.”
  • Bron: Pyke Koch, Contemporary Artists, Colin Naylor, Genesis Porridge (ed.), St James Press Ltd., London / St. Martin’s Press Inc., New York 1977, pp. 492-493
  • Aanhaling(en): Susana Puente Matos, 'Het Spengleriaanse wereldbeeld van kunstenaar Pyke Koch', op website De ondergang van het Avondland, april 2018
  • Circa 1937-1939 reisde de pas-getrouwde Pyke Koch met zijn jonge vrouw door Italië waar hij o.a. werken van Piero della Francesca tegenkwam, die hem sterk inspireerden
  • „Piero della Francesca combineert bijvoorbeeld extreem lijden of aanbidding met totale onverschilligheid, zoals in de 'Geseling', de 'Zoektocht naar het Ware Kruis' en zo veel ander werk. Het element van onwaarschijnlijkheid dat veroorzaakt wordt door deze tegenstrijdigheid, verheft het beeld boven de erin voorgestelde realiteit. De koele, afstandelijke acceptatie van de eeuwige onrechtvaardigheid en ongelijkheid is de basis van de mentale kracht, van de "magie" van Piero’s schilderijen.”
  • Bron: Pyke Koch, Contemporary Artists, Colin Naylor, Genesis Porridge (ed.), St James Press Ltd., London / St. Martin’s Press Inc., New York 1977, pp. 492-493
  • Aanhaling(en): Susana Puente Matos, 'Het Spengleriaanse wereldbeeld van kunstenaar Pyke Koch', op website De ondergang van het Avondland, april 2018
  • Juist de genoemde tegenstrijdige combinaties die Pyke Koch in de werken van Piero della Francesca onderkende spraken hem erg aan, en werden later in zijn eigen schilderkunst een vast karakteristiek element
  • „Ik werk niet meer door een halflamme rechterarm en een kapotte en pijnlijke linkerknie. Heb een paar maal pijnlijk schipbreuk geleden en kan het niet meer opbrengen. Dat maakt mijn leven leeg en moeilijk en eenzaam. Met een schilderij goed onderweg was ik veilig en geborgen geweest: nu niet meer”
  • Bron: Pyke Koch, c. juli 1978, ongedateerde brief aan zijn zus J. Planten-Koch
  • Aanhaling(en): Carel Blotkamp, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 18; ISBN 90-6918-143-6
  • In 1981 beëindigde hij zijn laatste werk 'Koordanser III', waarna hij definitief de kwast neerlegde. Niet langer meer kon het schilderen hem bevrijden van een beeld dat hem greep en vasthield
  • „Het schilderij ['Droomerijen', uit 1951] heb ik geschilderd op een moment dat ik weinig inspiratie had en moest putten uit jeugdherinneringen. Als kind kwam ik wel in deze tuin. De tuin van Strien dicht bij Beek. Meestal kwamen wij met schoolpartijtjes in zulke tuinen, in de buurt van Nijmegen.”
  • Bron: Pyke Koch, aantekening najaar 1980, over zijn werk 'Droomerijen', uit 1951
  • Aanhaling(en): Carel Blotkamp, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 225; ISBN 90-6918-143-6
  • het afgebeelde voorwerp in het schilderij werd door Koch zelf omschreven als een 'muziekautomaat'
  • „..een enkel woord om je [te] zeggen dat ik de schoorsteenpartij [in zijn schilderij 'De Koordanser III'] heb veranderd (grootendeels overgeschilderd en "geradeerd") en dat het schilderij nu "klinkt" eindelijk! Kom het kijken..”
  • Bron: Pyke Koch, brief 11 september 1981, aan Carel Blotkamp
  • Aanhaling(en): Carel Blotkamp, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 21; ISBN 90-6918-143-6
  • Het schilderij 'De Koordanser III' had Blotkamp een half jaar eerder al gezien, toen het al zo goed als af was. Maar Koch vond het nog niet 'frappant' genoeg. In totaal heeft Koch 2 jaar lang aan het doek geschilderd, gewijzigd en verbeterd. Het werd bovendien zijn laatste schilderij
  • „..De koppen van de tweede figuur van links en de tweede figuur van rechts [het schilderij 'Het Wachten' is horizontaal opgebouwd; vijf vrouwenfiguren naast elkaar] zijn geschilderd en getekend op rechthoekige stukken papier die opgeplakt zijn. De voorgestelde figuren van links naar rechts zijn: [1] kop getekend uit herinnering; [2] fantasie; [3] dr. Victorine Hefting; [4] fantasie; [5] mevr. Koch, enigszins veranderd”
  • Bron: Pyke Koch, mededeling 28 september 1982, over zijn werk 'Het Wachten', aan het Centraal Museum, Utrecht
  • Aanhaling(en): Carel Blotkamp, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 216; ISBN 90-6918-143-6
  • Dit deelde Koch mee over zijn werk 'Het Wachten' uit 1941. De schildering op papier is gemaakt in temperaverf en krijt, en was bedoeld als studie voor een schilderij (als mogelijke opdracht) in olieverf, dat nooit gemaakt is, omdat de opdracht niet gegeven werd
  • „Wij zijn – als menschen – in de macht van een voorstelling
  • Bron: Pyke Koch c. 1985, ongedateerde notitie op papier, gevonden bij opruimen van zijn atelier kort na zijn overlijden op 27 oktober 1991
  • Aanhaling(en): Carel Blotkamp, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 17; ISBN 90-6918-143-6
  • Als schilder was Koch inderdaad in de greep van voorstellingen die hij slechts kon uiten in het schilderen, waarna ze hem loslieten. Al in 1941 schreef hij in een brief '..de voorstelling waarin ik leefde.'

Citaten van Pyke Koch - ongedateerdBewerken

  • „Het had niets plebejisch, integendeel iets aristocratisch, in die zin, dat er niet bij alles gedacht werd: wat verdien ik eraan // Alles marcheerde, iedereen straalde zelfbewustzijn uit. De schoorsteenvegers, die droegen van die papieren mutsen om hun mooie gebrillantineerde haren schoon te houden.”
  • Bron: Betty van Garrel & William Rothuizen, 'Magisch realisten Willink, Hynckes en Koch: langs de afgrond van de kitsch', in Haagse Post 59., 1972, pp. 40+63
  • Aanhaling(en): Vincent E. Brink, Een duiding van zijn handelen tijdens de Tweede Wereldoorlog, BA scriptie geschiedenis, Universiteit van Utrecht, april 2016
  • Koch haalt herinneringen op uit zijn verblijf in Italië 1937-39, waar het Italiaanse fascisme van Mussolini hem sterk aantrok. De 'schoorsteenvegers' kwamen later herhaaldelijk in zijn schilderijen terug, zoals 'De schoorsteenveger', (1944)
  • „Het magisch realisme bedient zich van voorstellingen die wel mogelijk, maar niet waarschijnlijk zijn; het surrealisme daarentegen van onmogelijke, onbestaande of onbestaanbare situaties.”
  • Bron: Pyke Koch,
  • Aanhaling(en): Talitha Schoon, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 199; ISBN 90-6918-143-6
  • Koch leek als enige Nederlandse Magisch-realist wel tevreden te zijn geweest met deze benaming. Hij had er zelfs een definitie voor bedacht door het af te zetten tegen het Surrealisme

Citaten over Pyke KochBewerken

  • „..[een] moderne liefdelooze, zelfs haatdragende richting [..] Men mag zijn Bertha van Antwerpen prijzen om de techniek en het uitdrukkingsvermogen, iets "schoons" is het meer dan levensgroote portret niet deelachtig. Het is "cru", maar zonder om- en doorwerking tot gevoelsinhoud, zooals de Renaissance-Duitschers bij machte waren.”
  • Bron: N.R.C., 'Kunsthandel Frans Buffa&Zonen. Moderne Nederlandsche schilderkunst', in Nieuwe Rotterdamsche Courant, 8 september 1931
  • Aanhaling(en): Claartje Wesselink, 'Collaborerende kunstenaars - Het Fascisme van Pyke Koch', in Kunstenaars van de Kultuurkamer, proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 2014 p. 132
  • Dit was één van de vele recensies waarin kritiek gegeven werd op hoe kil, koud, afstandelijk, wreed, etc.. Pyke Koch zijn vrouwen afbeeldde
  • „Zijn werk wordt prachtig, ik ben zoo benieuwd naar wat er nog weer komt. Hij maakt het zich op dat gebied niet makkelijk. Zich binden of trouwen dat zal hij wel nooit. Geen geld en geen rust voor, en geen trouw genoeg [..] Maar nu neemt nog minder het leven dan wel de kunst hem innerlijk bijna geheel in beslag. En blijft er voor de menschen niet zooveel meer over. Hij hoopt maar dat hij nog 50 jaar zal kunnen schilderen..”
  • Bron: Minie Stärcke-Koch, ongedateerde brief aan haar zus Jo Planten-Koch, circa 1930-32; RKD: Planten, inv.nr. 2 Collaborerende kunstenaars – Het Fascisme van Pyke Koch , p. 134-135, noot 36
  • Aanhaling(en): Claartje Wesselink, 'Collaborerende kunstenaars - Het Fascisme van Pyke Koch', in Kunstenaars van de Kultuurkamer, proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 2014 pp. 134-135
  • Na zijn trouwen in 1934 zou ze heel anders schrijven: 'Hij is in veel opzichten wel veel rustiger dan vroeger, wordt een net heertje, ik bedoel ook z’n innerlijk deukt en voelt gewoner, niet zoo hemelbestormend'
  • „[..] Ik ben buit voor wie vecht / Ik ben meid voor elke knecht / Ik ben moederlijk gehecht / Aan wie moeder tot mij zegt / Maar als er wordt aangelegd / Komt het schot in mij terecht. / Schieten jongens of schiet op! / Wie hier schiet heeft nooit een strop!”
  • Bron: Martinus Nijhoff, 1934, gedicht t.g.v. het huwelijk van Pyke Koch en Heddy de Geer
  • Aanhaling(en): Centraal Museum, Utrecht, 'De schiettent', in De wereld van Pyke Koch, 18 januari 2018
  • Dit dichtte Martinus Nijhoff in 1934 over het schilderij 'De Schiettent' van Pyke Koch, ter gelegenheid van zijn huwelijk. Het schilderij werd door hem in 1931 geschilderd en door particulieren al snel daarna aan Museum Boymans in Rotterdam geschonken
  • „Hij [Koch] hing in het zaaltje van 'Kunstliefde' in Utrecht het levensgroote conterfeitsel van een plutocratendame, en verzocht boeren, burgers en buitenlui te komen zien naar wat ijver en volharding vermogen, wanneer zij tuchtvol en ordelijk op hun doel afgaan. En hij liet den heer Engelman [..] de gewasschen burgerij toespreken.”
  • Bron: Albert Kuyle, "Wat kunnen wij doen voor de Kunst," vroeg Pijke Koch', in De Weg, 30 november 1940, p. 8
  • Aanhaling(en): Adriaan Venema, Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie. Deel 2. De harde kern, 1989, p. 364
  • Koch had slechts één schilderij, het staande portret van zijn vrouw jkvr. Hedwig Maria de Geer. Zowel Koch als Jan Engelman werden door de fascist Albert Kuyle hier op de korrel genomen; Nederland was al 6 maanden bezet door de Duitsers
  • „Pyke Koch is een van onze hedendaagsche kunstenaars, die wel het sterkst in den tijd wortelt. Deze tijd streeft naar gebondenheid en kracht en paart naast harde werkelijkheid romantiek aan heroïsme.”
  • Bron: D. Hannema, 'Een nieuwe schepping van Pijke Koch', in De Schouw,] jrg. 1., no. 1, 15 januari 1942, pp. 4-5
  • Aanhaling(en): Adriaan Venema, Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie. Deel 1 Het systeem (1988), uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1988, p. 229
  • Op de voorkant van het eerste nummer van De Schouw (jan. 1942) stond het beruchte schilderij van Koch 'Zelfportret met zwarte band' uit 1937 afgedrukt. Over de schilder schreef Dirk Hannema in dat nummer een lovend artikel
  • „..en dat is misschien nog wel het meest fenomenale aan hem [Koch], het meest uitzonderlijke, dat wat mij dan altijd een grote schok geeft, als ik zijn werk zie: wij allen, iedere schilder, [..] komen ergens vandaan. Wij hebben onze voorouders, onze leraren of school, waar wij dan verder op doorwerken of tegenwerken, in ieder geval, ons schilderen heeft een voorgeschiedenis. [..] Maar Koch komt nergens vandaan. Die is, om zo te zeggen, als uit de hemel gevallen.”
  • Bron: Paul Citroen, 'Ontaarde Kunst', De Driehoek, 's Graveland 1945
  • Aanhaling(en): Kees Koek, 'Persoonlijke gegevens Pieter Frans Christiaan Koch', op website Genealogieonline
  • Koch was erg tevreden over dit citaat van Paul Citroen en heeft het zelf herhaaldelijk gebruikt in eigen publicaties. Desondanks had hij wel wat kunstonderwijs gevolgd, al was dat niet op de gebruikelijke vorm van een kunstschilder
  • „'Piet, hoe vind je Pyke Koch?' Ik: 'Afschuwelijk maar een groot schilder.'”
  • Bron: Paul Citroen, 'Ontaarde Kunst', De Driehoek, 's Graveland 1945
  • Aanhaling(en): Mariette Havema, Inleiding tot de Pykologie, Kunsttijdschrift Pyke Koch, nr 1. 2010
  • Deze kleine conversatie uit Citroens boek van na de bevrijding! kenmerkt de dubbelzinnige houding van veel kunstliefhebbers t.a.v. het werk èn het leven van Pyke Koch
  • „Koch schildert met ijskoude nauwkeurigheid en technische volmaaktheid een volkomen ontmenselijkte wereld. [..] Hard, koud, onaangedaan treedt hij ons tegemoet, zoals de fascistische ideologie ons in theorie en praktijk tegemoet is getreden.”
  • Bron: Magda van Emde Boas, in De Waarheid, winter van 1955
  • Aanhaling(en): Koen Kleijn, 'Rijzig als een Marmeren pilaar', in weekblad De Groene Amsterdammer, 6 december 2017, nr. 49
  • In de winter van 1955 kreeg Koch een tentoonstelling kreeg in het Stedelijk Museum Amsterdam. De communistische Waarheid van 1950 legde een ondubbelzinnige relatie tussen de precieze schilderstijl van Koch en zijn fascistische gezindheid die hij uitte tot circa 1943
  • „dit is van Pyke Koch, gekregen in het jaar 1948 (juni). Hij wilde het niet sinjeren ‘begrijpelijk’!!! hoe kwam hij aan dit stukje. Ik maakte lijsten voor hem en was op zijn werk zeer gesteld een werkstukje waar ik zeer van genood [..] H. Steenhouwer.”
  • Bron: H. Steenhouwer, opschrift op achterzijde van schilderij van Pyke Koch 'Stilleven met appels en peren'
  • Aanhaling(en): Carel Blotkamp, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 220; ISBN 90-6918-143-6
  • Het was zeer uitzonderlijk dat Pyke Koch schilderijen weggaf omdat hij er zo langdurig aan werkte, of ze vernietigde als hij er uiteindelijk niet tevreden mee was
  • „..hoe Koch eindeloos wikte en woog, na jaren nog terugkwam op oude beslissingen. Hij vernietigde veel omdat hij het niet goed genoeg vond. Schilderen was voor hem een noodzaak én een kwelling. [..] De rimpel in een handschoen, de trek om een mond, een vlekje, een schaduw, een boom, een gebaar: alles is tot op de millimeter bedacht en besloten door iemand die precies wist wat hij wilde, al zou hij het niet kunnen of willen zeggen.”
  • Bron: Carel Blotkamp, Pyke Koch een studie van zijn schilderijen, met oeuvre catalogues, Universiteit Utrecht, 1973
  • Aanhaling(en): Mariette Havema, Inleiding tot de Pykologie, Kunsttijdschrift Pyke Koch, nr 1. 2010
  • Blotkamp bezocht Pyke Koch - over wie hij zijn proefschrift schreef - regelmatig thuis aan de Oudegracht in Utrecht, waarna langzamerhand vriendschap ontstond
  • „Een van de psychologische bijzonderheden [..] was de mond die de vrouw moest hebben. Dit achtervolgde hem. Hij joeg een voorbeeld na dat hij ergens gezien had. Die lippen waren een obsessie; het moest zo en niet anders.”
  • Bron: Christiaan de Moor voor 1981, De eeuw is mooi begonnen maar niet uitgegroeid, Amsterdam University Press, Amsterdam 1994, p. 88; ISBN 9053560513
  • Aanhaling(en): Marja Bosma, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 109; ISBN 90-6918-143-6
  • Koch was vaak geobsedeerd door de uitdrukking en dus ook de uitwerking van de mond van een personage, zoals hier bij zijn schilderij 'Anna', (1933-35). De schilder Christiaan de Moor deelde in 1934-35 een etage in Den Haag met Koch, die toen met 'Anna' bezig was
  • „..Hij was met een schilderij bezig van een tuin en vroeg of ik wilde komen kijken [c. 1966-68], want hij was niet tevreden met een populier [..] Ik ging met hem mee naar zijn atelier. [..] Ik wist wel van zijn politieke overtuigingen, die de mijne niet zijn, maar ik was gevleid door zijn belangstelling. Tot zijn grote opluchting zei ik de populier die hij onder handen had een echte populier te vinden.”
  • Bron: Peter Vos nazomer van 1994, mededeling aan Marja Bosma op het terras van Hoppe, Amsterdam
  • Aanhaling(en): Marja Bosma, Pyke Koch = schilderijen en tekeningen, ed. Talitha Schoon; catalogus Museum Boymans-van-Beuningen, 1995, p. 66; ISBN 90-6918-143-6
  • Koch vertrouwde slechts enkele kunstenaars met hun commentaar op zijn werk, zoals Peter Vos en Charles Roelofs; van beiden had hij een werk aangekocht

Externe linksBewerken