Matthijs Maris

Nederlands kunstschilder

Matthijs Maris (Den Haag, 17 augustus 1839 - Londen, 22 augustus 1917) was een Nederlandse kunstschilder; hij was de middelste van de drie schilderende broers Maris..

Matthijs Maris, Zelfportret, ca. 1860, Krôller Müller Museum
Informatie bij zusterprojecten:
Wikipedia-logo.svg
artikel in Wikipedia
Commons-logo.svg
media bij Commons
Informatie in externe bronnen:
BP pagina in Biografisch portaal
DBNL mari103 pagina in DBNL
KB pagina in KB-catalogus
RKD pagina in RKD

Citaten van Matthijs Maris - chronologischBewerken

Citaten, tot 1890Bewerken

  • „'In den Hof' / 'Het Dronken Mannetje' / 'Slagerswinkel' / 'Het Keukentje' / 'Markt te Antwerpen'.”
  • Bron: Matthijs Maris, titels van zijn genrestukjes, c. 1855-1858
  • Aanhaling(en): H. E. v. Gelder, 'Matthijs Maris', in Onze Kunst, 1918, p. 4; (Palet serie; een reeks monografieën over Hollandsche en Vlaamsche schilderkunst)
  • Van c. 1855 tot 1858 studeerde Matthijs Maris d.m.v. een toegekend jaargeld aan de Antwerpse kunstacademie, waar hij veel studietekeningen en genrestukjes maakte zoals de genoemde titels deze beschrijven
  • „..ik heb daar verdriet genoeg van gehad dat ik zulke leelijke dingen heb laten zien [..] ik heb niets anders zitten maken als steenen, [..] de eene illusie verdwijnt voor de andere.”
  • Bron: Matthijs Maris, brief vanuit Den Haag 20 mei 1867, aan M.M. aan Goossens (van Eijndhove)
  • Aanhaling(en): Karina Foppele, 'Matthijs Maris' opvatting van de schilderkunst: theorie en praktijk', bachelor-scriptie Kunstgeschiedenis, Faculteit Geesteswetenschappen van Universiteit van Amsterdam, 14 augustus 2017
  • Blijkbaar accepteerde Matthijs Maris in die vroege fase de kritiek van enkele recensenten uit die tijd en vond zelf dat hij volgens de gangbare criteria moest gaan schilderen; later zou hij deze werken echter als zijn 'potboilers' doorstrepen; regelmatig vernietigde hij werken
  • „..ik heb niets anders zitten maken als steenen. [..] nu ga ik allemaal mooie schilderijen maken. Ze hebben van mij mooie schilderijen willen zien en ik heb ze nog niet kunnen maken [..] ik heb de koude werkelijkheid gemaakt en ik heb de waarheid gemaakt. Is er een waarheid, de koude werkelijkheid is ook een waarheid, wat daartusschen lag, was baroque conventie.”
  • „Ik heb alles in de kachel gestopt [..] ik zit er mijn tijd op te verknoeien; wat materieel is, is voor mij geen kunst. Ik heb die er niet uit kunnen brengen.”
  • Bron: Matthijs Maris, brief vanuit Den Haag 20 mei 1867, aan M.M. aan Goossens (van Eijndhove)
  • Aanhaling(en): H. E. v. Gelder, 'Matthijs Maris', in Onze Kunst, 1918, p. 15; (Palet serie; een reeks monografieën over Hollandsche en Vlaamsche schilderkunst)
  • In diezelfde tijd schilderde hij zijn later bekend geworden schilderij 'De Kerkbruid', waar o.a. zijn eigen broer Jacob veel kritiek op had
  • „Waarde mevrouw Artz, U bent in uw eigen net gevangen en erg van de wijs als u denkt, dat ik om de wereld lach; ik heb er te veel mee te doen gehad om er geen compassie mee te hebben, en het zeker anders zou willen zien als het is.”
  • Bron: Matthijs Maris, brief 2 november 1870? vanuit Parijs, aan mevrouw Artz
  • Aanhaling(en): H.E. van Gelder, 'Matthijs Maris=documenten II', in Oud Holland, nr. 44, 1927, pp 103-111
  • David Artz was goed gezelschap voor Matthijs Maris, die in 1869 nieuw in Parijs kwam en al snel diens portret maakte. Artz probeerde hem ermee te verzoenen om voor het geld te schilderen, wat Maris denigrerend 'potboilers' noemde, gemaakt voor de markt. Ook mevr. Artz mengde zich hier in
  • „In het begin van den oorlog heb ik gezegd: Thijs, Thijs, je bent bij een volk gekomen, toen het hun goed ging, nou mot je ze ook helpen nu ze in nood zitten. Zoo is het gekomen dat ik me heb laten inschrijven bij de garde nationale. [..] Ik dacht dat wij maar een beetje zouden leeren schieten en dan uitrukken, maar dat is me een gezeur geweest. [..] Ik kom daar aan. Heb je geen papieren bij je? Ik heb een Hollandsche pas. Dites, kapitein, un Hollandais. [..] Een veertien dagen, drie weken later konden we pas een geweer krijgen.”
  • „..een eigen gouvernement, een Commune moesten ze hebben, en kijk man, ik ben niet thuis in de politiek, maar wat die heeren allemaal willen dat begrijp ik niet goed [..] Ik kan heel goed republikein zijn met een keizer of een koning op de troon! Hoe het ook is, ik heb veel achting voor de Franschen. Ze strijden een strijd, die ieder mensch in zijn binnenste strijdt. Het ongelukkige is maar dat het materieele altijd moet zegevieren. Hun zucht naar valsche roem dat zal ze de nek breken.”
  • Bron: Matthijs Maris, brief van eind 1871 vanuit Parijs, aan Fridolin Becker
  • Aanhaling(en): P. Haverkorn van Rijsewijk, 'Matthijs Maris IV. De twee eerste jaren van zijn verblijf te Parijs (1869-juni 1871)', in Onze Kunst, 1918, p. 127
  • Na de nederlaag van Frankrijk tegen de Pruissen sloot Matthijs zich begin 1871 aan bij de Parijse Commune; hij deelde met hen het idee van een heilstaat van 'Liberté, Egalité, Fraternité'. Zijn broer Jacob vertelde dat hij als 'communard' maar net wist te ontsnappen aan de Franse soldaten
  • „Dat is niet goed dat ze dingen van mij hebben tentoongesteld. Ze deugen niet. Ja het is moeilijk om het zóó te krijgen, als ge voelt dat het wezen moet.”
  • Bron: Matthijs Maris, 1888, opmerking tegen de heer Berckenhoff tijdens bezoek
  • Aanhaling(en): P. Haverkorn van Rijsewijk, 'Matthijs Maris VII. De jaren 1877 tot 1888 bij Cottier', Onze Kunst, jaargang 18, 1919, p. 98
  • Berckenhoff bezocht Matthijs Maris in 1888 in Londen. Hij had een dag ervoor mooie werken van hem gezien bij kunsthandel Goupil in de New Bondstreet. Toen hij hierop zinspeelde reageerde Matthijs afwijzend, en kritisch op zichzelf, zoals zo vaak

Citaten, vanaf 1890Bewerken

  • „Hij, Millet, begon als een goed schilder, dat wil zeggen wat ze een goed schilder noemen, een colorist zooals Diaz, doch nu begint de strijd tusschen stof en geest, en slechts zeer zelden slaagde hij in wat hij zich voornam. [..] Het [werk 'De zaaier' van Millet] is in de line en niet in het mannetje. Je begint over zijn hoed, zijn snoet omgedraait naar de andere kant en zoo you go down his shoulder and outstretched arm. Then you get his body, and outstretched leg. Het andere komt van zelf.”
  • Bron: Matthijs Maris, c. 1890, een uitvoerige beschouwing over de 'Zaaier' van Millet
  • Aanhaling(en): P. Haverkorn van Rijsewijk, 'Matthijs Maris VII. De jaren 1877 tot 1888 bij Cottier', in Onze Kunst jaargang 18, 1919, pp. 95-96
  • Circa 1881-82 maakte Matthijs Maris een ets van het schilderij 'De Zaaier' van Millet; hij beschreef uitvoerig wat hem zo fascineerde aan dit werk, in een mengelmoes van Hollands en Engels
  • „..als u mij een pleizier wil doen, schrijf mij dan niet meer. als het naar de bliksem moet, laat er mij dan buiten, wat niet weet, dat niet deerd. you have been very kind to me, but there are things plus fort que moi, as the french say. you don't understand.”
  • Bron: Matthijs Maris, brief circa 1891, aan de heer Havercorn van Rijsewijk
  • Aanhaling(en): Karina Foppele, Matthijs Maris' opvatting van de schilderkunst: theorie en praktijk, scriptie kunstgeschiedenis student.nr. 10289607, 2017; Faculteit Geesteswetenschappen Afdeling Kunstgeschiedenis, p. 24
  • 'Extase' was gemaakt in opdracht van directeur P. Haverkorn voor het museum. Haverkorn bedacht deze titel echter, waar Maris niet van gediend was; hij noemde het 'Meisjeskopje'. Uiteindelijk wilde hij niets meer met Haverkorn te maken hebben
  • „Als ik maar een klein hoekje op de wereld had "to work out my mind". Als ik maar zeker was van vijftig pond in het jaar, dat is toch niet veel. Och waarom hebben de menschen me niet alleen kunnen laten!”
  • Bron: Jan Veth, Londen zomer van 1891, opmerking tijdens een bezoek van Jan Veth
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'Uit het leven van Jan Veth', in Leven en Werk van Jan Veth, uitgeverij H.D. Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem, 1928, p. 71
  • Jan Veth bezocht de oude [Mat]Thijs Maris in Londen die tegen hem klaagde dat hij net niet genoeg geld had gehad om er onafhankelijk van te kunnen bestaan
  • „Een kind is een denkend wezentje en als je er de gedachte zijn ze dood.”
  • Bron: Matthijs Maris, brief van Londen 23 februari 1891, aan zijn zus Katrien Maris
  • Aanhaling(en): Richard Bionda, uitgevers, Rijksmuseum Amsterdam & NA10- Rotterdam, 2017, p. 209; ISBN 978-94-6208-380-6
  • Maris wilde kinderen niet lang stil laten zitten tijdens het schilderen, omdat ze dan ofwel wild werden of een geforceerde houding gingen aannemen. Vaak schilderde hij van snelle schetsen of zelfs van foto's die hij kreeg. Maris was blij als vrijgezel, maar hield wel degelijk van kinderen
  • „maar je tijd zo zitten verknoeien met voor de markt te werken, and geen hope nog kans te zien er uit te komen is genoeg om de duivel in je lijf te krijgen, en ten lange leste moet je nog zeggen ze hebben gelijk. (time is money) en als je aan je zelve begint te twijfelen is het heelemaal op. Ik ben blij Wisselingh me niet in de steek laat, ik zal misschien nog in staat zijn wat voort te brengen. Hij is geen gewone koopmandief, die het alleen te doen is zijn eigen vet te mesten..”
  • Bron: Matthijs Maris, brief, London, 4 januari 1892, aan Philip Zilcken
  • Aanhaling(en): RKD: 'Maris, Matthijs, 1892-01-04', in Negentiende-eeuwse Atelierpraktijk
  • De firma Wisselingh en Co was een Amsterdamse kunsthandel die het werk van Matthijs Maris toentertijd vele jaren verkocht. Het Nederlands van Matthijs in zijn brieven was grof en simpel, o.a. omdat hij al zo lang in Londen woonde en werkte
  • „inspiratie from above! daar is meer noodig dan inspiratie, daar is de stof, en met all de inspiratie maakt verdomde stomme dingen, en zonder inspiratie gewoonlijk goeije. ik had nooit geen erge voorliefde voor [de schilder Theodore] Rousseau, ik vond zijn werk heel mooi, niet alles wat hij maakte. ik dacht die man denkt alleen om stof of the verf en execution [uitvoering]..”
  • Bron: Matthijs Maris, brief, London, 4 januari 1892, aan Philip Zilcken
  • Aanhaling(en): RKD: 'Maris, Matthijs, 1892-01-04', in Negentiende-eeuwse Atelierpraktijk
  • In zijn typische mengeling van Nederlands en Engels bespreekt Thijs Maris hier de noodzaak tot veel vaardigheid met betrekking tot de uitvoering van een schilderij; zijn eigen latere schilderijen zijn dan ook ook heel vergaand in de verf bewerkt
  • „kunst is geen regeeringszaak. Waarom righten ze academies op? die worden van het land betaald, geen tijd verknoeijen om je slaaf te maken om dingen na te knoeijen voor wat doel? om je broodjes te verdienen. wat hebben die antieken daar mee te maken?”
  • Bron: Matthijs Maris, brief, London, 4 januari 1892, aan Philip Zilcken
  • Aanhaling(en): RKD: 'Maris, Matthijs, 1892-01-04', in Negentiende-eeuwse Atelierpraktijk
  • Maris verwijst naar de antieke [(gips)modellen die in die jaren eindeloos moesten worden gekopieerd door de studenten. Sowieso wilde Matthijs niet naschilderen voor het geld, wat hij in zijn vroege jaren veel moest doen van zijn Parijse kunsthandelaar
  • „Ik vroeg hem of hij mij niet wat helpen kon. Misschien, zeide ik, in een jaar of twee kan ik krijgen wat ik hebben wil. Je hebt talent, zeide hij, je kunt zooveel geld maken als je maar wilt, zet je dwaze ideeën op zij, so it has gone on.”
  • Bron: Matthijs Maris, brief van 1892, aan P. Haverkorn van Rijsewijk
  • Aanhaling(en): P. Haverkorn van Rijsewijk, 'Matthijs Maris III. Matthijs' laatste jaren in Den Haag, 1862-1868', in Onze kunst jaargang 17
  • Behalve de miskenning van zijn werk circa 1868 wilde hij ook zijn familie niet tot last was. Daarom wendde hij zich toen tot de welgestelde kunstminnaar Ed. L. Jacobson die circa 1862 van elk van de drie schilderbroers Maris een werkje had besteld, en vroeg hem steun
  • „Wat ze noemen 'The Walk' onder ons gezegd & gezwegen die naam heb ik er zelf aan gegeven, je weet wat een haat ik heb aan hooge benamingen. Later dacht ik je had het kunnen noemen 'The Youth and the Maiden' maar dat had zoo iets van to please, wandelingetje was common-place enough.”
  • Bron: Matthijs Maris, brief van 29 november 1910, aan W.J.G. van Meurs
  • Aanhaling(en): Richard Bionda, uitgevers, Rijksmuseum Amsterdam & NA10- Rotterdam, 2017, p. 237; ISBN 978-94-6208-380-6
  • Matthijs Maris wilde in de titel van zijn werken niet al vooraf iets prijsgeven van de bedoeling of inhoud van het werk. The Walk was in 1893 aanwezig op de grote 'Gebroeders Maris' expositie in Rotterdam. De prijs lag al gelijk aan de werken van een Jozef Israëls toen
  • „Toen hij ze weer te zien kreeg dacht hij dat ik hun [twee dochterjes] bont & blauw geslagen hadt. Ook teleur gesteld. Ik hoop hij zal gauw tot andere gedachten komen [..] als ik nouw niet slaag dan ben ik de schuldige.”
  • Bron: Matthijs Maris, brief van 30 september 1913, aan P.F. Thomsen
  • Aanhaling(en): Richard Bionda, uitgevers, Rijksmuseum Amsterdam & NA10- Rotterdam, 2017, p. 263; ISBN 978-94-6208-380-6
  • Maris schilderde enkele dubbelportretten van de twee jongste dochtertjes van zijn vriend Pery Westmacott in Londen. Hij maakte in totaal vijf. Maar het was pas 25 jaar later toen hij op aandringen van zijn vriend bezig was een nieuwe versie te maken, omdat deze van de vierde variant erg geschrokken was: 'De zusjes Westmacott'
  • „Als een barbier je hoofd opknapt en verfraait met je haren te knippen en baard te schrappen, wordt dan je hoofd eigendom van den barbier? Maar de dealer-ploert moet op zijn donder hebben om er mijn naam op te plakken.”
  • Bron: Matthijs Maris, brief, 14-16 januari 1914
  • Aanhaling(en): P. Haverkorn van Rijsewijk, 'Matthijs Maris VII. De jaren 1877 tot 1888 bij Cottier', in Onze Kunst jaargang 18, 1919, p. 95
  • Op verzoek van zijn kunstdealer had Maris in de jaren 1880 een al bestaand schilderijtje van een ander beschilderd; daarom ontstond de discussie of het nu een werk van Matthijs mocht heten. Voor Maris was het toen slecht geld verdienen, en meer niet

Citaten, ongedateerdBewerken

  • „Er bestaat geen grotere misdaad dan te nemen van de boom van kennis, verdoeming en excommunicatie zijn het gevolg.”
  • Bron: Matthijs Maris, ongedateerd, brief aan W.J.G. van Meurs
  • Aanhaling(en): Karina Foppele, Matthijs Maris' opvatting van de schilderkunst: theorie en praktijk, scriptie kunstgeschiedenis student.nr. 10289607, 2017; Faculteit Geesteswetenschappen Afdeling Kunstgeschiedenis, p. 36
  • In zijn latere werk met vrouwen- en kinderfiguren legde hij de relatie met het de sfeer van het paradijs. Alleen weergave van de natuur was voor hem volstrekt onvoldoende; zij stonden voor hem symbool voor zijn relatie met het leven

Citaten over Matthijs Maris - chronologischBewerken

  • „Uitmuntendheid, 3e prijs; Uitdrukking, 1e prijs; Ontleedkunde, 4e plaats; Doorzichtkunde, 1e prijs; Geschiedenis en kleedij, 4e plaats”
  • Bron: Max Rooses, gezien in het archief van de Academie van Antwerpen
  • Aanhaling(en): P. Haverkorn van Rijsewijk, 'Matthijs Maris I. Leerjaren te 's-Gravenhage en te Antwerpen', in Onze Kunst, jaargang 17, 1918, p. 36
  • In het studiejaar 1856/57 van de Antwerpse Academie nam Matthijs Maris deel aan de klas 'schilderen en teekenen' van professor J.H. Verhaeren; hij kreeg toen de hier beschreven onderscheidingen. Na de winter van 1858 keerde hij terug naar Den Haag
  • „..in een zaal waar de uitverkorenen zich in helder licht verheugen, een fraaie plaats is ingeruimd aan een Stadsgezicht van Thijs Maris, die de schoone natuur belastert, op een wijze, dat men hem wegens hoogverraad den deur had moeten uitstooten.”
  • Bron: anonieme kunstcriticus, in Het Handelsblad, 1865
  • Aanhaling(en): G.H. Marius, Het Schildersboek – Nederlandse Schilders der negentiende Eeuw – in monografieën door tijdgenoten], red. Max Rooses; de Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen 1900, pp. 12-13
  • Een scherpe kritiek, naar aanleiding van zijn stadsgezicht op de Driejaarlijkse [expositie] van 1865, te Amsterdam; Matthijs zond twee schilderijen in: ' Stadsgezicht - Avondstemming' en 'Naar de Natuur'; het laatste werd positiever beoordeeld. Twee jaar lang zond hij niet meer in
  • „Als men Thijs Maris niet te beroerd en te melancholiek gemaakt had om te werken, misschien had hij iets verbazends gevonden. Ik denk zo dikwijls aan die kerel, Theo, want wat is zijn werk wonderbaar. Het is droomerij – maar wat een meester.”
  • Bron: Vincent van Gogh, brief aan broer Theo, oktober 1884
  • Aanhaling(en): Charles Moffett, 'Vincent van Gogh en de Haagse School', in De Haagse School.., red. Ronald de Leeuw, John Sillevis, Charles Dumas; Haags Gemeentemuseum/Dienst Verspreide Rijkscollecties, Den Haag, 1983, p. 146
  • „Op een morgen kwam Hartman bij mij [..] met een paneeltje van Matthijs. Hij vond het leelijk, maar Matthijs had er wel drie maanden aan gewerkt, en hij begreep dat hij [= Hartman] hierom er wel f 25. voor geven moest, doch verzocht mij een ander ervoor in de plaats te maken. Ik deed het; Thijs kreeg zijn 25 gulden, en ik zijn stukje, kijk, wat een juweeltje is dat Scheveningsch meisje! Hoe heerlijk doet dat fijn profiel, dat donker haar tegen 't zilveren hoofdijzer, en zie die grijze jurk - prachtig geschilderd, niet waar?”
  • „Voor jou is het net iets geschikt om iets heel mooi er van te maken. 't Is sombere poësie. Weinig kleur en erg gevarieerd van lijnen.”
  • Bron: Jacob Mari, ongedateerde brief vanuit Parijs circa 1869, aan zijn broers Willem en Matthijs
  • Aanhaling(en): Richard Bionda, uitgevers, Rijksmuseum Amsterdam & NA10- Rotterdam, 2017, p. 155; ISBN 978-94-6208-380-6
  • Zijn oudere broer Jacob wilde Matthijs overhalen om bij hem in Parijs te wonen en werken. Daarom beschreef hij Matthijs de steengroeve bij Montmartre, die Matthijs enkele jaren erna inderdaad zou schilderen; later noemde hij dit eigen werk afkeurend 'snapshotting Montmartre'
  • „Gisteravond ben ik bij Thijs Maris geweest. Toen ik bij hem binnenkwam, was het of ik bij iemand kwam waar ik dagelijks kom, zoo natuurlijk was de ontvangst. [..] later zag ik toch dat het een heel mooie kop is, een kop om in brons te maken. Het voorhoofd vol vertrokken rimpels van veel tobben, en een energieke saterneus. Ja, dat heele mannetje met zijn kippeborst en zijn korte beentjes is een sater, maar o, zoo'n zachtmoedige sater met wonderzachte blauwe oogen, en een zachte stem, die alleen raar klinkt, als hij sommige dingen in het Hollandsch zegt, want dan spreekt hij scherp plat Haagsch.”
  • Bron: Jan Veth, brief uit Londen 16 juni 1891, aan zijn vrouw Anna Dirks
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'Uit het leven van Jan Veth', in Leven en Werk van Jan Veth, uitgeverij H.D. Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem, 1928, p. 71
  • Jan Veth bezocht de oude schilde Thijs Maris in Londen, die hij vele jaren daarvoor voor het laatst ontmoet had in Den Haag. Het citaat geeft goed aan hoe de scherpe observeerder / portrettist Veth kijkt en beschrijft. Thijs Maris was opgegroeid in Den Haag
  • „..de ontzettende intimiteit der armoede van heiligheid [..] Ik begreep dat ik op één van de subliemste plaatsen van de wereld was, waarschijnlijk op de heiligste plek, die thans in Europa wordt aangetroffen.”
  • Bron: Lodewijk van Deyssel, in de Nieuwe Gids, 1908
  • Aanhaling(en): Karina Foppele, Matthijs Maris' opvatting van de schilderkunst: theorie en praktijk, scriptie kunstgeschiedenis student.nr. 10289607, 2017; Faculteit Geesteswetenschappen Afdeling Kunstgeschiedenis, p. 29
  • Lodewijk van Deyssel beschreef in 1908 in extatisch woorden zijn bezoek in het atelier van Matthijs Maris in Londen, 1894
  • „maar in 't prachtig-atelier, een héél huis [..] dat Cortier (later Wisselingh), hem gaf, kon hij niet werken: "in die vergulde kooi ga 'k dood!" zei hij. Zoo leeft dat kleine uitgedroogde manneke, Thijs, nu in 't groote Londen, ergens in een buitenwijk op een kamertje. Leeft er in zijn gedachtenwereld. Beeldt vagelijk zijn gedachten-wereld-wezens op 't doek die wij zien als ijle, teere Beatrice-prinsessen. Droomerige sproken van etherisch wonderbaarlijke wezens.”
  • Bron: Willem Maris, in gesprekken met C. Harms Tiepen, gedurende 1908
  • Aanhaling(en): C. Harms Tiepen, in 'Willem Maris' herinneringen, Den Haag 1910
  • Willem Maris was de jongste broer van de drie broers Maris. Cortier was jarenlang een kunsthandelaar van Matthijs Maris, tot deze in 1887 definitief met hem brak. Kunsthandelaar Wisselingh liet hem veel vrijer en steunde hem financieel vanaf die tijd en hielp hem aan woning & atelier
  • „Zoo leeft hij in de eenzaamheid van zijn kamertje, schilderend alleen als hij 'r drang toe voelt. Soms blijft een doek, bijna àf, jaren staan. De handelswaarde van zijn schilderijen weet hij niet - kan hem niet schelen - Londen kent-ie niet. Voor één heeft hij geweldig ontzag: zijn kunsthandelaar. Die bedèrft hem, meende hij steeds. 't Maakt hem wanhopig - heel voorzichtig moet 't geld aan zijn huisjuffrouw gegeven [..] want krijgt hij 't zelf in handen dan gaat het oogenblikkelijk retour of naar een of anderen armen drommel. "Broodschilders!" heeft hij ons genoemd.”
  • Bron: Willem Maris, in gesprekken met C. Harms Tiepen, gedurende 1908
  • Aanhaling(en): C. Harms Tiepen, in 'Willem Maris' herinneringen, Den Haag 1910
  • Zo keek Matthijs ook op zichzelf gedurende zijn schilderjaren tot c. 1887 terug: als "broodschilder". Broer Willem beschrijft hier zijn broer wel erg naïef af, want Matthijs wist wel degelijk van de hoge prijzen van zijn werk, in de latere jaren
  • „.. tot de grens van het onstoffelijke.. [..], het [schilderij 'Grief (Vanished illusions)' ] heeft niets van dat ouderwetsch romantische, waarin op effect is gewerkt, om den toeschouwer als met geweld, door middel van het zinlijke, naar het onzinlijke over te brengen [..] [maar een] juist nog even gematerialiseerde zucht van een ziel, die veel geleden heeft.”
  • Bron: Frits Lapidoth, onvermelde publicatie, 1917
  • Aanhaling(en): Richard Bionda, uitgevers, Rijksmuseum Amsterdam & NA10- Rotterdam, 2017, p. 263; ISBN 978-94-6208-380-6
  • Lapidoth zag het schilderij als een nog net-materiële uiting van Matthijs Maris zelf, a.h.w. de uiting van zijn ziel die zich al snel oploste in het oneindige. Dit werk was dan ook Maris' zwanenzang; zo werd het althans door veel kunstcritici gezien, c. 1917
  • „Hij voerde zijn leven boven de wereld. / Hij vond zich in de Eenzaamheid. / Hij toonde zich dan. [..] Toen hij tot zichzelf kwam en de realiteit doorwerkte van invoeling tot abstractie; toen hij beseffen ging dat voor den kunstenaar de realiteit eene andere beteekenis heeft dan voor den barbier of koopman; toen [..] noemde men hem krankzinnig. Men schold hem de grenzen over. Men gunde hem geen adem hier. En hij nam wraak: hij liet een vermogen liggen voor een oude penseel.”

Externe linksBewerken

Galerij van werkenBewerken