Jozef Israëls

Nederlands kunstschilder (1824-1911)

Jozef Israëls (Groningen, 27 januari 1824 – Den Haag, 12 augustus 1911) was een Nederlandse schilder, etser en lithograaf. Hij was een van de voornaamste schilders uit de Haagse school.

Jan Veth, 1887: 'Portret van Jozef Israëls', olieverf op doek
Informatie bij zusterprojecten:
Wikipedia-logo.svg
artikel in Wikipedia
Commons-logo.svg
media bij Commons
Informatie in externe bronnen:
BP pagina in Biografisch portaal
DBNL pagina in DBNL
KB pagina in KB-catalogus
RKD pagina in RKD

Citaten van Jozef Israëls - chronologischBewerken

  • „Zorg voor zuiverheid in de verf en niet zoo stinkerig dik van smeerderij, dun, dun, dun, en zo op het licht hier en daar een zetje dik[ke verf] [..] dikke binnenhuizen zijn onaangenaam - lang teekenen voor je begint en het prettig bij elkaar arrangeren voor gij aan het verwen gaat..”
  • „Dat is altijd lastig [een herhaling te maken] en kan slechts een potboiler [letterlijk: broodschrijver] worden.”
  • Bron: Jozef Israëls, brief van 13 Dec. 1876, aan kunsthandel Pilgeram & Lefèvre in Londen; (Foundation Custodia, Paris,input no. 1971-A.506)
  • Aanhaling(en): Dieuwertje Dekkers, Jozef Israëls, 1824 – 1911, Waanders, Zwolle 1999, p. 192 ISBN 9789040093999
  • Israëls werd gevraagd om een duplicaat te maken van zijn schilderij 'Karig Maal'. Hij weigerde dit en stelde een vergelijkbaar schilderij voor, maar dan met een schoenmaker op zijn kruk; op de achtergrond snijdt zijn vrouw het brood
  • „Men [had er] van alles op te zeggen en wat ik er mee bedoelde vatte niemand. [..] men noemde het de apotheose van een schoudermantel, de figuur veel te groot voor het kader, enz. enz. Vreemd genoeg heeft het vervolgens bijna op alle tentoonstellingen zeer voldaan en wordt [het] nog voor een mijner besten gehouden.”
  • Bron: Jozef Israëls, ruim na 1880, De Haagse School, R. de Leeuw / J. Sillevis / C. Dumas; Haags Gemeentemuseum, 1983, p. 193 ISBN 906522006
  • Aanhaling(en): Arsine Nazarian, Van IJs naar Sneeuw - De ontwikkeling van het wintergezicht in de 19de eeuw., juli 2008, Utrecht, p. 62
  • Aanvankelijk werd het schilderij 'Als men oud wordt' in 1880 (zie afbeelding, rechts) slecht ontvangen, het gold in die jaren als een van Israëls meest omstreden werken. Toch werd het schilderij het meest geëxposeerd van al zijn werken; hij maakte dan ook meerdere versies
  • „Je kunt er niets van weten wat er uit je komt: al je weten komt verkeerd uit: wat je niet weet en heelemaal niet dacht dat er komen zou, dat komt er in eenen, soms met een vloek en een zucht, en daar heb je 't. - Alles komt terecht. Ik heb dingen gemaakt, die ik vergeten had van voor vijf en twintig jaar. Eerst wist ik ze te goed, maar toen vergat ik ze, ik moest ze vergeten en toen maakte ik ze. - Als iets niet mooi wordt, dan ga je maar weer aan wat anders. Tobben geeft niet. Straks beter? Neen, straks beter, dat moet men ook niet meer zeggen. Je weet niet of het straks beter wordt.”
  • Bron: Albert Verwey, brief aan K. van Vloten, Den Haag, 28 August 1888
  • Aanhaling(en): Albert Verwey - Briefwisseling 1 juli 1885 tot 15 december 1888, Querido 1995, p. 497-98
  • Albert Verwey liep voor het eten nog samen even met Jozef Israëls door het [Haagse?] bos in Den Haag en noteerde deze opmerking van Israëls later in zijn brief aan Kitty van Vloten
  • „Er zijn er die vinden dat het [de Nachtwacht, in het net geopende Rijksmuseum in 1884] er prachtig is [hangt], - het blinkt, het schatert even als een kermisstuk, maar is dat de manier waarop die grootste kunst moet worden tentoongesteld? Het is immers onnoodig om iets bij te brengen aan het toch reeds zoo sterke effect en het saamgedrongene der compositie, maar men moet weten, kennen en voelen, waar het hem eigentlijk bij Rembrandt om te doen is. Het is geen pretmaker of een schreeuwleelijk, het is een ernstige en breede kunst..”
  • „Isaac was met mij en had over de kleur te reclameeren, maar ik kan daar best over heen stappen. Als een kunstwerk één groote eigenschap heeft, is dat voldoende.”
  • Bron: Jozef Israëls, brief Den Haag 1903, aan Jan Veth
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'De portretschilder II', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 392
  • De opmerking van de al oude Jozef Israëls slaat op zijn portret van Prof. De Hartog. Zijn schilderzoon Isaac had er kritiek op
  • „Iederen dag zal ik u graag ontvangen, alleen, Zaterdags niet, want dan werk ik niet, in dat opzicht ben ik altijd nog jood.”
  • Bron: Max Eisler, c. 1910, opmerking van Jozef Israëls op late leeftijd, in 'Herinneringen aan Josef Israëls bij zijn honderdsten geboortedag'
  • Aanhaling(en): DNLB, Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 34, 1924, p. 90
  • Jozef Israëls - bijna 86 jaar - ging nog iedere morgen naar zijn atelier in den Haag, waar hij tot 's middags bleef werken; Eisler werd uitgenodigd om dan op bezoek te komen, maar niet de dag van Sabbat
  • „Ik had een goed model gevonden en geschilderd. Maar ik was ontevreden, want ik vond dat het niet op de goede plaats zat. En zoo zwierf de figuur over het doek heen en weer tot ze de plaats en de houding vond die ze nu heeft. Maar ik voelde mij ook toen nog niet zeker, zette het doek op zij en wachtte [..] Ondertusschen kwam mijn zoon [ Isaac Israëls ] eens over uit Amsterdam. Hij zag het doek en werd flink boos: "Houd nu toch eens op met daaraan door te werken, anders wordt het nooit goed." Maar korten tijd later verscheen er een commissie uit Rotterdam, die het stuk voor het museum koopen wilde, vroeg mij het doek voor een paar dagen te leen, maar verklaarde toen dat de handen toch niet heelemaal goed waren en opnieuw geschilderd moesten worden. Daar zat ik weer met mijn ouden twijfel. Toen hielp de Parijsche 'Salon' mij, waar het doek veel lof kreeg. En zoo bleef het dan in dien toestand.”
  • „Ik heb voorloopig de kleuren maar zoo ongeveer opgezet, want ik weet nog niet recht wat het worden zal. Ik zoek de uitdrukking van een gevoel dat mij zelf nog niet helder bewust is.”
  • Bron: Max Eisler, c. 1910-11, opmerking van Jozef Israëls op late leeftijd, in 'Herinneringen aan Josef Israëls bij zijn honderdsten geboortedag'
  • Aanhaling(en): DNLB, Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 34, 1924, p. 94
  • Israëls was bijna 87 toen hij dit schilderij in enkele uren neerzette - Visser met hengel, aan de sloot. Eisler was op atelierbezoek en zag het schilderij nat in de verf staan, één van zijn laatste werken

Citaten over Jozef Israëls - chronologischBewerken

  • „Doch Israels' 'Hanna' zoekt heilige gewaarwordingen [..] omdat hij alle traditioneelen vorm terzijde stelt en slechts menschelijk is. [..] Al die opgeschroefde conventioneele manieren eener heilige kunst en eener groot historische kunst roeren ons niet meer. In verband met die eerste en met de laatstgenoemde historieschilderij van Israëls, toonde zich deze bekeering van de aësthetiek bijna als een verdienste van den meester zelf, die den kunstsmaak door zijn werk als 't ware den weg gewezen had.”
  • Bron: Max Eisler, in 'Nederlandsche Spectator', 13 juli 1861, p. 219
  • Aanhaling(en): DBNL, 'Zandvoort 1855 door dr. Max Eisler.' in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift, 1911, p. 268
  • De recensie in de Spectator schreef over het in 1861 in Den Haag tentoongestelde schilderij van Israëls, 'Hannah in de Tempel'; deze recensie betekende ook een omslag in de waardering van de Hollandsche historieschilderkunst, volgens Max Eisler
  • „Israëls, een oud man [..] zit in een hoekje bij een haard, waarin een klein brokje turf nog even gloeit in de schemering. [..] Zijn hond die met hem is oud geworden, zit naast hem -, die twee oudjes kijken elkaar aan [..] Anders niets – die schemering, die stilte, die eenzaamheid van die twee oudjes [..] dat nadenken van die oude man, - waarover denkt hij, ik weet het niet, maar het moet een diepe, een lange gedachte zijn..”
  • Bron: Vincent van Gogh, brief aan broer Theo, 11 maart 1882 uit Den Haag, Van Gogh museum / Huygens ING
  • Aanhaling(en): Charles Moffett , 'Vincent van Gogh en de Haagse School', in De Haagse School.., red. Ronald de Leeuw, John Sillevis, Charles Dumas; Haags Gemeentemuseum/Dienst Verspreide Rijkscollecties, Den Haag, 1983, p. 140
  • Vincent beschrijft hier het schilderij ‘Oude kameraden’ van Jozef Israëls die hij erg waardeerde om zijn gekozen sociale onderwerpen en om de ‘expressie’ die hij daarin wist te bereiken; ook Van Gogh maakte diverse ‘oude mannen’
  • „..kwesties [..] waaraan ik voortdurend denk, juist sedert ik den laatsten tijd dat ik in Den Haag was, indirect dingen hoorde die [Jozef] Israëls gezegd had over in een lage toonladder beginnen en betrekkelijk nog donkere kleuren reeds licht te laten doen. Enfin het licht uitdrukken door oppositie met donker. Ik weet al wat ge zegt van 'te zwart', maar tevens ben ik nog niet volkomen overtuigd, dat om nu maar één ding te noemen, een grijze lucht altijd MOET geschilderd worden in den localen toon. Wat Mauve [wel] doet.”
  • Bron: Vincent van Gogh, brief aan broer Theo vanuit Nuenen, midden juni 1884
  • Aanhaling(en): Charles Moffett, 'Vincent van Gogh en de Haagse School', in De Haagse School.., red. Ronald de Leeuw, John Sillevis, Charles Dumas; Haags Gemeentemuseum/Dienst Verspreide Rijkscollecties, Den Haag, 1983, p. 142
  • Met 'toon'ladder wordt bedoeld de kleurtoon, dus de grijswaarde van de kleur. Van Gogh was in deze tijd hard bezig met alle schetsen in olieverf voor De Aardappeleters; ook hiervoor had hij inspiratie gevonden in een werk van Jozef Israëls, 'Het karige Maal' uit 1876
  • „Ik zag twee schilderijen van Israels in Amst. [Amsterdam], namelijk de Visscher van Zandvoort en – een van zijn allerlaatsten, eene oude vrouw, in elkaar gebogen als een pak lorren, bij eene bedstede waar ’t lijk van haar man in ligt. Beiden vond ik weer meesterlijk. – Laat men lullen van techniek wat men wil met pharizeesche holle schijnheilige woorden – de ware schilders – laten zich leiden door die conscientie die men sentiment noemt, hun ziel, hun hersenen zijn niet voor ’t penseel maar ’t penseel is voor hun hersenen. Ook is het doek bang voor een echt schilder en niet de schilder bang voor ’t doek.”
  • Bron: Vincent van Gogh, brief aan broer Theo, c. 10 oktober 1885, vanuit Nuenen; Van Gogh museum / Huygens ING
  • Aanhaling(en): Charles Moffett, 'Vincent van Gogh en de Haagse School', in De Haagse School.., red. Ronald de Leeuw, John Sillevis, Charles Dumas; Haags Gemeentemuseum/Dienst Verspreide Rijkscollecties, Den Haag, 1983, p. 141
  • Dit radicale citaat van Van Gogh geeft duidelijk aan dat hij op het einde van zijn periode in Nuenen [bij zijn ouders wonend] 'het sentiment' als doel van een schilderij zag en dat bij uitstek herkende in het werk van Jozef Israëls
  • „Zie de Visscher van Zandvoort eens, en waar is die mee geschilderd, is die geschilderd met rood, met blauw, met geel, met zwart, en wat vuil wit, met bruin (alles goed gemengd en gebroken) of niet? Als [Jozef] Israëls zegt dat men niet zwart moet zijn, bedoelt hij zeker nooit dat wat ze er nu van maken, hij bedoelt dat men kleur geve in de schaduwen, maar dat sluit geen enkele [kleur]gamma hoe laag ook, ook die der zwarten, en bruinen en diepe blauwe natuurlijkrerwijs ..] juist niet uit.”
  • Bron: Vincent van Gogh, brief aan broer Theo, c. 10 oktober 1885, vanuit Nuenen; Van Gogh museum / Huygens ING
  • Aanhaling(en): Charles Moffett, 'Vincent van Gogh en de Haagse School', in De Haagse School.., red. Ronald de Leeuw, John Sillevis, Charles Dumas; Haags Gemeentemuseum/Dienst Verspreide Rijkscollecties, Den Haag, 1983, p. 141
  • Van Gogh herkende in dit schilderij van Israëls uit 1856! notabene, duidelijk het gebruik van de primaire kleuren, waar hij zelf op dat moment nog nauwelijks gebruik van maakte, zoals in zijn Aardappeleters-werken uit 1885
  • „..de smaken waren toen [c. 1848] zóó zonderling, zóó anti-artistiek, dat eens, toen hij [= Jozef Israëls] een portret van een oude vrouw had gemaakt, Jan Kruseman (zijn leermeester) tegen hem zei dat hij niet meer zulke leelijke menschen moest schilderen, omdat dit den goeden smaak bedierf.”
  • „Of Israëls lijdt met de lijdenden, die hij schildert, of deze poëet der ellende een melancolicus is, of de droeve bekoring zijner werken gefilterd werd uit eigen smart? [..] De zaak is dat de Heer Israëls geen lyricus van nature is, maar dat men, naar ik meen, in hem vooral een groot dramatisch talent te onderkennen heeft. En droefheid en ellende zijn hem voor de bijzondere expressie van dat dieper gelegen reëele, dat hij van nature nastreeft, meer dan iets anders dankbare stof gebleken.”
  • Bron: Jan Veth, "Gedenkboek der Hollandsche schilderkunst uit het tijdperk 1860-1890", 1893 & 1898, C.M. van Gogh, Amsterdam.
  • Aanhaling(en): Max Rooses, "Het schildersboek. Nederlandsche schilders der negentiende eeuw", Deel 1, "Jozef Israëls", door J. de Meester, p. 96, Elsevier, Amsterdam, 1898
  • Andere kunstcritici in zijn tijd hadden veel kritiek op de sentimentele of melancholische uitdrukking van zijn schilderijen
  • „Wie het dus een geluk acht, in grooten kring bekend te zijn, kan zeggen, dat de heer Israëls in zijn kunstenaarscarrière het fortuin gehad heeft, met werken van voorbijgaande belangrijkheid beroemd te worden, en later met schilderijen van onschatbare waarde, dien eens verworven roem meer dan verdiend te hebben.”
  • Bron: Jan Veth,
  • Aanhaling(en): De Hollandsche Schilderkunst in de Negentiende Eeuw, G. H. Marius; Martinus Nijhoff, s-’Gravenhage, tweede druk, 1920, p. 120
  • In dit citaat doelde Jan Veth op de schilderperiode van Jozef Israëls, waarin hij onder andere de kinderen aan het Scheveningse strand schilderde, zoals in zijn bekende doek 'Kinderen der Zee' (zie rechts)

Externe linksBewerken

Galerij van werkenBewerken