Jan Veth

Nederlands kunstschilder

Jan Veth (Dordrecht, 18 mei 1864 - Amsterdam, 1 juli 1925) was een Nederlandse kunstschilder, dichter, kunstcriticus en hoogleraar kunstgeschiedenis.

Zelfportret van Jan Veth
Informatie bij zusterprojecten:
Wikipedia-logo.svg
artikel in Wikipedia
Commons-logo.svg
media bij Commons
Informatie in externe bronnen:
BP pagina in Biografisch portaal
DBNL pagina in DBNL
KB pagina in KB-catalogus
RKD pagina in RKD

Citaten van Jan Veth - chronologischBewerken

Citaten, tot 1900Bewerken

  • „Ik zou toch heusch wel zin hebben, om landschapschilder te worden. Als ik dit zeg, zet mijnheer Allebeé [directeur van de Rijksacademie, Amsterdam] een zuur gezicht. "Waar blijf je dan met je litteratuur?" zei hij mij eens. Maar dat is gek en doet niets ter zake. Maar om een goed landschapschilder te worden, moet men zoo verbazend veel, jaar in jaar uit, in de natuur gezeten hebben, om wat te leveren; en ik wil toch zooveel anders en... ach nog zoo weinig.”
  • Bron: Jan Veth, brief van Baarn zomer 1884, aan zijn toenmalige verloofde
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'Vorming', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, 1950, Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 340
  • Allebeé was een voormalige belangrijke schilderdocent van Jan Veth, die ook na de opleidingsjaren per brief nog contact hield met zijn studenten. Voor Veth vond hij blijkbaar de schrijvers-kant van groot belang om verder te ontwikkelen
  • „Een zeer kleine kring van kunstenaars of toekomstige verwachten iets van me, of hebben dat gedaan. En dat bezwaart mij al. De rest houdt mij voor een malle, verwarde, droomerige jongen, en dat is ook zoo..”
  • Bron: Jan Veth, brief zomer 1884, aan zijn verloofde Anna Dorothea Dirks
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'Vorming', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 349
  • Die zomer logeerde Veth bij de familie Witsen op de 'Ewijkshoeve' te Baarn; de jonge schilder is bepaald niet arrogant of zichzelf-overschattend
  • „Ik wou zoo graag eens uit die eeuwige portretten komen, en weet iets dat ik te Laren heb gezien en dat zoo mooi zou zijn! [..] Ik moet werkelijk eens een heelen stap vooruit kunnen doen... Ik ben nu vast besloten 'Den Egyptenaar' niet te exposeeren en vooreerst niet dan heelemaal naar de natuur te werken.”
  • Bron: Jan Veth, brief begin 1885, aan zijn verloofde Anna Dorothea Dirks
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'Vorming', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 349
  • De portretten hielden hem in hun greep, wat hij wilde doorbreken. Hij had in Laren buiten een meisje met seringen geschetst en wilde daarvan een groot schilderij maken. In Dordrecht schilderde hij toen ook een Touwslager en de genoemde 'Egyptenaar', maar vernietigd beide werken
  • „Ik ben vol moed. Als een kind zal ik beginnen te werken om Moeder Natuur, de lang verzaakte, haar geheimen af te vleien. Ik moet me niet verbeelden, dat ik al iets kan, ook niet dat ik vooreerst wat leveren zal. Met schade, schande en menig gek figuur zal ik er misschien eindelijk komen.”
  • Bron: Jan Veth, brief april 1885, aan zijn verloofde Anna Dorothea Dirks
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'Vorming', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 349
  • Een maand later schreef de latere portrettist nog als vervolg: 'Wat ik eenmaal zal schilderen, moet zijn enkel uit de natuur... Een onbewuste trek naar het onbekende "de wereld" zit ons allen in het lijf.
  • „..En àl mijn lust was van mij heen; ik weet: / Zóó slaven duizenden van stervelingen / Levend een leven dof en vreugdeloos; / Wij zien in 't rond, en denken, schildren, zingen, / Alles uit weelde, maar gedachteloos / Nemen wij 't brood gewonnen door hùn zweet.”
  • Bron: Jan Veth 1885, ongepubliceerd sonnet 'Labor'
  • Aanhaling(en): J. Huizinga, 'Uit het leven van Jan Veth.', in De Gids. Jaargang 91, 1927, p. 90
  • Albert Verwey, aan wie Jan Veth dit sonnet hetzelfde jaar nog toegestuurde, had sterke kritiek op juist deze regels; hij vond ze niet 'doorvoeld' geschreven: het sentiment moest volgens hem het gedicht dragen
  • „Ik ken de gebreken en deugden van mijn eigen werk nog niet. [..] Als ik mij zelf wel [= juist] ontleed, sta ik tusschen de jonge schilders, die ik ken, op een soort overgang. Knap is mijn werk niet, maar het bezit toch degelijker dingen dan dat van anderen, die echter iets veel artistiekers hebben. Zoo ben ik welbeschouwd niets, maar kan daarom toch misschien iets worden.”
  • Bron: Jan Veth, brief 9 augustus 1885, aan onbekend
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'Vorming', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 350
  • De jonge Jan Veth troostte zich met wat een schilder hem gezegd had, dast hij erop rekende hem over tien of vijftien jaar te kunnen zien als een volgroeide kunstenaar. Met de 'jonge schilders' bedoelde hij de Amsterdamse Impressionisten
  • „Dat is alles portretten, portretten. Maar dat is zeer studieus. In het portret zoek ik nu iets nieuws. Ik wil minder droog, ik wil vetter, grondiger schilderen [..] [ook in zijn anderen werk:] Ik wil heel anders, frisscher, levensvoller, minder droog gaan schilderen, maar verval telkens tot mijn gebrek van dorre witheid.”
  • Bron: Jan Veth, brief voorjaar 1886, aan Etha Fles
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'Vorming', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 351
  • De brief schreef hij na zijn portret van Verwey, dat goed aansloeg in artistiek Amsterdam; er kwamen nu opdrachten van onbekende mensen. Maar ook was er de kritiek van 'Meneer Mauve' die soms heel complimenteus was, maar 'achteraan komen dan harde waarheden die ik zelf inzie'.
  • „Nu nog eens iets. Mijn werk met dat van Breitner te vergelijken [dit had Etha Fles in haar brief gedaan] stuit me tegen de borst. Breitner is een reus en mijn werk, we weten dat zeer goed, is niets. Ik schrijf dit neer zonder eenige bitterheid, want ik wanhoop niet. Als er ooit iets van me komen moet, ben ik van degenen, die hun weg eerst na jaren gevonden zullen hebben.”
  • Bron: Jan Veth, brief zomer 1886, aan Etha Fles
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'Vorming', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 354
  • „Ik verlang naar buiten, want het schijnt wel, of ik van de portretten niet meer af kan komen, als ik in de stad ben. Mijn kennissen zijn jaloersch op mijn bestellingen, en beweren schertsend, dat ik een geldwolf word. Ik heb nu in minder dan vier maanden f 1200 verdiend, maar het zal nu wel uit zijn. Met de portretten van meneer en mevrouw Jolles heb ik veel succes gehad, en het wordt tijd, dat ik eens iets maak, waar ik niets geen succes mêe heb.”
  • Bron: Jan Veth, brief uit Amsterdam 1886, aan Van Deventer
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'Vorming', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 353
  • Enkele dagen later had hij zich al in Laren gevestigd (dicht bij Mauve) en schreef: 'Wat schilderen betreft, ga ik eerst eens niets als landschap doen, omdat ik de vrije, diepe kleur het meest noodig heb'.
  • „Rembrandt, Millet en Jaap [Maris], ziedaar het artistieke klaverblad wat mijn heilige drieëenheid is. [..] Eigenlijk ben ik tegenwoordig te ordinair gestemd om het sublieme van Jaap [Maris] volop te kunnen genieten, maar het blijft – A thing of beauty is a joy forever.”
  • Bron: Jan Veth, brief uit Dordrecht 26 december 1886, aan Etha Fles
  • Aanhaling(en): RKD, briefcitaat, in brievencollectie Jan Veth
  • Ondanks eigen financiële krapte kon hij zijn bewondering voor Maris aldus uitdrukken tijdens de Kerstdagen in Dordtrecht
  • „Meneer Mau (= Mauve) heeft me aangeraden, in den Haag te gaan wonen, en ik denk er half over, maar zal toch nog eens zien. Kijk het is zoo: Ik vind Dort [Dordtrecht] enorm mooi. Als ik hier wandel word ik gek van al ’t moois en weet ik duizend dingen te maken – Maar ik maak er geen een. Ik ben hier niet genoeg bohemien, te veel burgerman. Te weinig artiest, te veel een jongen – mocht ik hier aan het ’t werk komen, ik zou orgineele dingen kunnen maken. Maar ’t zou ook wel kunnen dat ik er onderdoor ging.”
  • Bron: Jan Veth, brief uit Dordrecht 26 december 1886, aan Etha Fles
  • Aanhaling(en): J. Huizinga, 'Vorming', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, 1950, p. 355
  • Er waren Jan Veth toen in Dordtrecht - waar hij woonde - bestellingen beloofd voor te maken werk, maar daar kwam niets van terecht; hij zat daardoor heel krap. Mauve raadde hem aan om naar Den Haag te vertrekken, waar meer kansen zouden liggen voor opdrachten
  • „Ik wou zoo graag wat aan steenteekenen [ lithograferen ] gaan doen - misschien een gril, omdat een ieder tegenwoordig etst - maar toch door een feitelijke neiging daartoe gebracht. Nu ben ik zoo ouderwetsch om nogal graag eenigszins techniesche wenken omtrent zooiets te kennen [..] en ik wou u dus vragen: bestaat er niet een goede Traité de la lithographie of zooiets? (P.S.) Bij ontstentenis van eenige literatuur over het onderwerp u te verzoeken om zeer te waardeeren voorschriften van uwe hand durf ik haast niet wagen, ofschoon ik daar zeker het meest aan hebben zou.”

Citaten, vanaf 1900Bewerken

  • „De kritiek in De Rotterdammer, heeft mij geamuzeerd [..] Ik wil het bezonkene, het blijvende in een persoon uitdrukken, en hij [de recensent] zegt dat ik streef naar de momentopname. Ik zoek het uitgestrekene, stille, verdiepte en hij zegt dat ik datgene wat saute aux yeux [voor de hand ligt] geef. [..] Wat er aan mijn werk mankeert weet ik beter dan iemand anders, maar ik weet ook zeer wel waar ik heen moet.”
  • Bron: Jan Veth, brief april 1900, aan onbekend
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'De portretschilder II', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 388
  • De kunstrecensent Berckenhoff deed in zijn artikel alsof Veth iets heel gecompliceerds had uitgevonden, wat Veth zelf zag als het volgen van de oude schilders. Jan Veth noemde daarbij als zijn voorbeelden Piero della Francesca, Albrecht Dürer, Holbein, Clouet, en Ingres
  • „Ik ben overtuigd, dat elk intellectueel hooger staand mensch tegenwoordig de socialistische idee moet helpen groeien.”
  • „Gisteravond ben ik bij Thijs Maris geweest. Toen ik bij hem binnenkwam, was het of ik bij iemand kwam waar ik dagelijks kom, zoo natuurlijk was de ontvangst. [..] later zag ik toch dat het een heel mooie kop is, een kop om in brons te maken. Het voorhoofd vol vertrokken rimpels van veel tobben, en een energieke saterneus. Ja, dat heele mannetje met zijn kippeborst en zijn korte beentjes is een sater, maar o, zoo'n zachtmoedige sater met wonderzachte blauwe oogen, en een zachte stem, die alleen raar klinkt, als hij sommige dingen in het Hollandsch zegt, want dan spreekt hij scherp plat Haagsch.”
  • Bron: Jan Veth, brief uit Londen 16 juni 1891, aan zijn vrouw Anna Dirks
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'Uit het leven van Jan Veth', in Leven en Werk van Jan Veth, uitgeverij H.D. Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem, 1928, p. 71
  • Jan Veth bezocht de oude schilde Thijs Maris in Londen, die hij vele jaren daarvoor voor het laatst ontmoet had in Den Haag. Het citaat geeft aan hoe de scherpe observeerder / portrettist Veth de mens Maris bekijkt en beschrijft
  • „Ik werk en werk, en heb in 't algemeen zoo bitter weinig satisfactie en zoo beroerd veel tegenwind, - ik zal maar niet uitpakken.... Dag kerel, ik ben gedrukt en moe, maar stellig al weer gerestaureerd als je dezen krijgt.”
  • Bron: Jan Veth, brief 2 Januari 1893, aan DerKinderen
  • Aanhaling(en): J. Huizinga, 'Uit het leven van Jan Veth.', in De Gids. Jaargang 91, 1927, pp. 77-78
  • Veth schreef in die tijd veel over andere kunstenaars zoals over Derkinderen, Van Gogh en Jan Toorop; hij kwam nauwelijks aan het maken van portretten toe en raakte dat spoor wat kwijt
  • „Ik ben nog nooit zoo lekker aan den gang geweest. Allemaal werk voor de borst, - en bijna allemaal mooi werk. Ik ben bezig, Dr. Samson te schilderen, een kop van waar-benje-me zoo massief: een lekkere ronde tastbare kop met zwarte pik-oogen, net gemaakt om met gezet genoegen te conterfeiten. Ja, waarachtig, ik geloof dat onze lieve Heer die facie geboetseerd heeft om hem te juister tijd in mijn atelier te kunnen zetten te mijnen bate [..] en ik voel me zoo lekker als ooit”
  • Bron: Jan Veth, brief zomer 1893, aan Etha Fles
  • Aanhaling(en): J. Huizinga, 'Uit het leven van Jan Veth.', in De Gids. Jaargang 91, 1927, p. 78
  • Dit citaat geeft een treffende beschrijving van wat voor Veth het aantrekkelijke was van portretschilderen - wat hij voornamelijk deed; bovendien was hij die zomer uit een dal gekomen
  • „U zal van mij wel willen aannemen, dat ik voor alle kunst buiten de schilderijkunst de meest vurige belangstelling heb. Maar dit neemt niet weg, dat ik toch niet opeens verbranden zal, wat ik echts voor mij zelf geladen heb. [..] Wij moeten in ons werk zelf ongevoelig zijn voor den wind, die daar buiten waait,
  • Bron: Jan Veth, brief zomer 1894, aan Mej. Thérèse van Hall
  • Aanhaling(en): J. Huizinga, 'Uit het leven van Jan Veth.', in De Gids. Jaargang 91, 1927, p. 88
  • Veth had zich zelf sterk ingezet om de decoratieve kunst van o.a. Antoon Derkinderen en ook Jan Toorop naar voren te brengen; ook in zijn eigen werk van 1892-1893 - met name in zijn grafische werk - is een lichte neiging tot stilering / vereenvoudiging te zien
  • „Eerst de heele houding en de gelijkenis uitvoerig in houtskool teekenen, om er dan vlotter over te kunnen schilderen. Hij heeft nu zeven uur gezeten en de heele gestalte, kniestuk met twee handen, staat er al goed op. Maar ik wil er nòg wel een paar dagen zóó aan werken, vóór ik ga schilderen. Het moet in de perfektie in elkaar zitten, en dan laat ik me pas gaan, alsof het louter plezier was. [..] Ik geloof wel, dat ik met het meer toepassen van deze grond-dingen, die ik al lang ken, steviger en guller werk zal leveren.’”
  • Bron: Jan Veth, brief 1907,
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'De portretschilder II', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 389
  • Veth zocht al tekenend naar een basale en eenvoudige harmonie; dan pas kon volgens hem het schilderen in kleur een goede plek vinden
  • „'s Avonds laat ik meneer Israëls, - schrijft Veth 12 Maart 1908, - met juffrouw Keller schaken, en dan zit hij met de hand onder de kin aandachtig op het bord te kijken, en zoo wou ik wat van hem maken. Maar het is wel moeilijk, want hij doet tóch ongedurig en kan geen licht verdragen [..] [enige dagen later:] Ik heb ook nog een ander portretje van hem opgezet, terwijl hij zit te schilderen. Maar hij is, ik weet het al van ouds, vreeselijk moeilijk, omdat zijn kop zoo weinig vaste vormen heeft en zooveel expressieve bewegelijkheid.”
  • Bron: Jan Veth, brieven 12 en c. 16 maart 1908, aan?
  • Aanhaling(en): J.H. de Bois, 'Portretstudies door Jan Veth in Teyler', in IJmuider Courant, 25 november 1936
  • Deze tekening maakte Veth t.g.v. de vijfentachtigste verjaardag van Jozef Israëls; deze werd in 1908 ook als litho nog gepubliceerd in Die Woche
  • „Ik schilder een oude dame, die zich nogal rijk kleedt. Dit ligt heelemaal in haar wezen, en ik heb dan ook aan den rijkdom van de japon veel tijd en moeite besteed. [..] Van louter rijkdom echter werd ik arm. De samenhang was niet rijk. En zoo heb ik verleden Dinsdag ineens het werk van vele dagen opgeofferd, door over een drukke partij heen een zwart bontje te schilderen. Het werd alles opeens eenvoudiger, werkelijk rijker, deftiger. Opeens zag ik dat, nu de figuur zelve aan gehalte gewonnen had..”
  • Bron: Jan Veth, brief 1913, aan Mr. S. Muller
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'De portretschilder II', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 389
  • Veth had een schilderijtje op de achtergrond van de oude dame geschilderd, maar dat naderhand weggesmeerd; waarmee hij de hoofdzaak (de oude dame) weer versterkte
  • „Overigens is het het moeilijkste werk dat men zich denken kan, om onder deze omstandigheden een portret te schilderen. Onophoudelijk loopen er menschen binnen, iedereen kijkt, leidt mijn model af en praat mee over het schilderij. Als ik in zulke zaken niet tamelijk getraind was, zou ik het niet uithouden. En nu vertelde M. mij gisteren, dat hij reeds Donderdagochtend naar Petersburg vertrekt. Op de zittingen wordt dus ook nog beknibbeld. Enfin, goed moet het worden.”
  • Bron: Jan Veth, brief 1914
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'De portretschilder II', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, p. 391
  • Veth was voortdurend op reis en verbleef enige tijd in andere steden om personen in opdracht te portretteren, zoals hier een Duitse bankdirecteur
  • „Professor Kapteyn is een van de geniaalste Nederlanders, die ik ontmoet heb. Een man van een wereldnaam met den eenvoud van een eenvoudigen scheepskapitein, en daarbij van een ongeloofelijke levendigheid en helderheid van geest. [..] Ik geloof niet, dat dit een slecht schilderij is, maar morgen begin ik toch nog een ander ding van denzelfden merkwaardigen man. Hij zit gewoonlijk een uur of vijf à zes op een dag aan wiskundige tabellen te cijferen, en zoo zié ik hem voor zijn raam zitten [..] Want hij zit dan werkelijk voor die tafel in geconcentreerde zelfvergetenheid.”
  • Bron: Jan Veth, brief 1917,
  • Aanhaling(en): Johan Huizinga, 'De portretschilder II', in Verzamelde werken. Deel 6. Biografie, uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon, Haarlem 1950, pp. 391-392
  • Veth beschreef hier precies hoe het tweede portret van de heer Kapteyn uiteindelijk zou gaan worden; Kapteyn was astronoom te Groningen

Citaten over Jan Veth - chronologischBewerken

  • „[Jan] Veth zei van de week dat de beweging in de Schilderkunst gelijkloopend met de Litteraire is. Jullie willen niets gezegd hebben, dan wat gevoeld is; dàt juist willen wij ook.”
  • Bron: Albert Verwey, brief 1885, aan Jacobus van Looy
  • Aanhaling(en): Benno Tempel, 'Voorsteden en Achterbuurten' in Rumoer in de stad – De schilders van Tachtig, Gemeentemuseum Den Haag / WBooks 2017, p 46; ISBN 9789462582071
  • Veth wordt hier aangehaald met zijn uitspraak over de verhouding van de schrijvende Tachtigers en de schilderende Amsterdamse Impressionisten. Hij was zelf aan beide zijden vertegenwoordigd als schilder/dichter, en bovendien nog kunstcriticus
  • „Vroeger dacht ik wel eens, als er een of ander van mij besproken werd: ik moet maar zelf eens wat expliceeren, wat op de hoogte brengen, de menschen weten niet wat ik daar eigentlijk zelf in zie. [..] Nu gij uw boekje over mij hebt uitgegeven, vind ik het niet meer noodig, [..] en ik kan dus rustig blijven voortschilderen, zonder met een stokje uit te roepen: hier zie je nou dit of dat, je denkt, dat het daarom is, maar het is hierom, enz.”
  • Bron: Jozef Israëls, brief uit Den Haag 5 Mei 1889, aan Jan Veth
  • Aanhaling(en): J. Huizinga, 'Uit het leven van Jan Veth.', in De Gids. Jaargang 91, 1927, p. 74
  • De oude Jozef Israëls reageerde op het boekje dat Veth over hem schreef: Jozef Israëls en zijn werk, Gebroeders E. & M. Cohen, Arnhem en Nijmegen, 1904. Het eerste contact met Jozef Israëls dateerde al van 1887 en zou zich voortzetten; ook met zijn zoon Isaac Israëls was Veth toen al bevriend
  • „Het [portret] is van karakteristiek al heel buitengewoon, ik kèn die juffrouw en heb haar al honderd maal gesproken. Het is als Holbein geteekend, maar voilà la question: moet het niet als Veth geteekend zijn? De kleur van de kleeren is beter als die van het gelaat en de handen is. Ik weet niet, of de achtergrond wel goed is. Zou er zich niets in kunnen vertoonen? [..] Misschien schildert gij verder op, met uwe Holbeinsche methode, nog wat Hollandsch-achtigheid er doorheen, dan wordt je origineel, het is heel moeilijk, maar je bent nog al vasthoudend.”

Galerij van werkenBewerken

Externe linksBewerken