Anton Heyboer

Nederlands kunstschilder

Anton Heyboer (Sabang (Indonesië), 9 februari 1924 – Den Ilp (Noord-Holland), 9 april 2005) was een Nederlands kunstenaar, bekend van zijn etsen. Hij woonde met vier vrouwen in zijn commune in Den Ilp (Landsmeer); zijn 'vijfde' vrouw was zijn kunstverkoopster aldaar..

Anton Heyboer met zijn vrouwen, in Den Ilp; foto, 28 november 1974
Informatie bij zusterprojecten:
Wikipedia-logo.svg
artikel in Wikipedia
Commons-logo.svg
media bij Commons
Informatie in externe bronnen:
BP pagina in Biografisch portaal
DBNL pagina in DBNL
KB pagina in KB-catalogus
RKD pagina in RKD

Citaten van Anton Heyboer - chronologischBewerken

Citaten, voor 1970Bewerken

  • „Heilig is het hart van de vrouw.”
  • Bron: Anton Heyboer, herfst 1953, ingekraste tekst in kleine zink-ets 'De scheiding'
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 93; ISBN 978-90-388-9626-7
  • In de tijd dat hij in Haarlem scheidde van zijn eerste vrouw Puk (mèt zoon Andries) maakte hij een kleine ets van een man met een kruis over zijn schouder, knielend aan de borst van een vrouw; ernaast plaatste hij een klein kind, ook geknield
  • „Beste Josef, [..] je adoratie voor een oude man [de oude schilder Henri Boot] die nog net een tikkeltje meer egoïst is dan de anderen, en daarom de meester. [2e brief:] Ik heb je soms gehaat, [..] Ik hoop dat je vindt wat ik ook gevonden heb, het einde van de hunkering, Wees erg zuinig op je stenen. Het is beter dat we elkaar niet ontmoeten, want we zitten beide in de groei. Later! [..] Betreed de aarde met zachte voeten. Het is het enige geluk. Je vriend Ton.”
  • Bron: Anton Heyboer, brief januari 1953, aan Josef Santen
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 81; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Voor 1950 woonde Heyboer met zijn eerste vrouw Puk èn Josef Santen samen in een oud pand in Haarlem; samen verzamelden ze tijdens hun zwerftochten door de straten oude spullen en veel stenen. Santen volgde lessen bij Henri Boot en bewonderde de oude kunstenaar sterk, waar Heyboer zich enorm aan ergerde
  • „We groeien als een vrucht van onrijpheid en hardheid tot volwassenheid en rijpheid. Zo zouden we kunnen groeien als het werkelijk levende in ons die kans kreeg, van ons zelf. [Maar] We zien, dat de hardheid in handen der volwassenheid rust. We zien dus geen rijpheid om ons heen. [..] In de onrijpheid en onvolwassenheid is ons bewustzijn bezig met ons zelf en zitten we aan de groei van ons eigen wezen verbonden in een uitkomstloze cirkelgang van ontwikkeling.”
  • Bron: Anton Heyboer, notitie van november 1954, in zijn geschreven boek van 1954
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 109-110; ISBN 978-90-388-9626-7
  • In 1954 schreef Heyboer in een zelfgemaakt boek met grote bruine bladen allerlei notities over zijn leven en denken. Hij onderstreepte daarin en kraste er ook fouten door. Dit boek eindigde op 2 januari 1955; het had toen 208 vellen bereikt
  • „Toen hij [de kunstenaar in het algemeen] klein was, mocht hij allerlei dingen niet. Nu is hij groot en mag hij weer niet. De maatschappij is de voortzetting van het ouderlijk gezag, waartegen de artiest in opstand komt.”
  • Bron: Anton Heyboer, 11 september 1957, zijn bijdrage in een forumdiscussie in Haarlem, waar ook Godfried Bomans aanwezig was
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 145; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Het was voor Heyboer de maatschappij die zowel het kind als de kunstenaar wilde vervormen, zodat ze in haar hokjes zouden passen; zijn streven was om daarbuiten te blijven
'betreffende de ets', 1961
  • In de citaten uit zijn artikel over het etsen beschrijft Heyboer wat het kenmerkende is van zijn techniek van etsen met zink. Het grootste deel van zijn gemaakte werk bestaat dan ook uit zijn karakteristieke Heyboer-etsen'
  • „Mijn materiaal [om etsen te maken] is zink dat ik net als was het om een dak te maken per meter koop. Dit snijd ik ik in hanteerbare brokken en hierin trek ik met mijn schraapstaal mijn lijnen zo diep als ik kracht heb. Lijnen waar ik op terug kom schrap ik weg, maar laat de correctie zichtbaar [..]”
  • „De kleur schrijf ik met letters in de [zink]plaat. Ik gebruik maar weinig kleuren. Meest rood, oker, blauw of zwart, deze kleuren gebruik ik om belangrijkheden te accentueren. De kleuren maak ik van rauwe olie en aarde, behalve rood, dat is loodoxide.”
  • „Iedere ets is een gedachtenformulering over de menselijke emotie waarin ik verkeer en die door middel van het etsen door mij opgelost wordt in het bewustzijn. De techniek wordt in deze registratie gebruikt om iedere gebeurtenis in het proces op te vangen, zoals de gevoelige plaat van een foto.”
  • „Het ininkten van de [zink]plaat en afvegen gebeurt ruwer als op de klassieke [ets]-manier, omdat de zinkplaten door de aard van mijn werk een geheel ander karakter hebben, de afdrukmethode is een fase van het werk. Het papier wordt zeer nat gemaakt om de soepelheid te krijgen om in de bodem der diepe groeven te komen.”
  • Bron: Anton Heyboer, 'betreffende de ets', 1961; in Anton Heyboer, schepper, leraar, buitenbeen, Leo Duppen en Hans Sizoo; uitgever: IAC De Raay, 2001; ISBN 9789076735030
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, pp. 96-97; ISBN 978-90-388-9626-7


  • „Ik ben steeds bezig aan één groot werkstuk, waar ik telkens bepaalde stukjes van uitzoek. Af en toe behandel ik het hele plan, maar meestal een klein stukje. Het heeft iets van laboratoriumwerk. Ik ben benieuwd geraakt naar de uitkomst. Die weet ik niet, of wel, maar in veel te abstracte taal. Ik moet de bedoeling uitdrukken in de gebruikelijke taal. ’t Is al een stuk verstaanbaarder geworden.”
  • Bron: W. Woltz, De Heyboer van Den Ilp', in Algemeen Handelsblad, 15 december 1962
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, pp. 193-194; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Heyboer beschrijft zijn maken van kunst door de jaren heen als een totaal werkstuk, waarbij hij zich op het moment focuste op een klein onderdeel daarvan, met een ets. Kort voor dit interview had hij bewust Amsterdam verlaten en zich met Maria in Den Ilp gevestigd
  • „Begrijp je dat? Je begrijpt zeker al dat ik geen kunst maak?! Het is een filosofie [..] dit is het mannelijke, die punt [hij wees hem aan] is het vrouwelijke, de projectie van het mannelijke is de jaloezie, de projectie van het vrouwelijke is de onschuld”
  • Bron: W. Woltz, 'De Heyboer van Den Ilp', in Algemeen Handelsblad, 15 december 1962
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 195; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Heyboer had zijn ‘Systeem’ op vellen gezet voor het interview en las het W. Woltz buiten voor en wees het hem aan. Over de wetten, de creatie, het systeem zelf, etc...
  • „Ik begrijp mijn honden beter dan mijn buren. Honden zijn creatiever, want ze zijn aktief levend en dat is creatief. Tussen een artiest en het wezenlijke van het leven mag niets anders bestaan. Daarom kan een artiest leven op het niveau van een dier – wat de zuiverste vorm van leven is.”
  • Bron: W. Woltz, 'Anton Heyboer, leven als de honden', 1962-63
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 191; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Heyboer legt hier een directe relatie tussen creativiteit en dier-zijn. Hij en zijn vrouwen in Den Ilp leefden samen met een groeiende groep honden, al vanaf 1962. Eerst vooral Deense doggen, later Duitse herders; ze zijn op veel foto's te zien
  • „Van deze zinkplaat bestaat slechts één afdruk en dat is deze. Voor eerlijkheid wordt met alles ingestaan, Anton Heyboer, Den llp.”
  • Bron: Anton Heyboer, later bijgevoegd onderschrift bij enkele ets-afdrukken uit 1964
  • Aanhaling(en): Hans Sizoo, 'Anton Heyboer, etser en filosoof', in Ons Erfdeel. Jaargang 13, 1969-1970, p. 115
  • Volgens Hans Sizoo was het aantal afdrukken per ets van Heyboer in die tijd bijzonder laag; vaak twee a drie afdrukken, maar ook vaak slechts één exemplaar, dus een unica. Het was Heyboer toen dus niet om grote aantallen te doen
  • „Maria [zijn eerste vrouw van de 'Den Ilp-jaren'] bleek in staat een proces te doorgaan onder leiding van mij waardoor zij het omgekeerde bereikte als ik. En ook haar ziel werd als gevoelselement op de tweede plaats gesteld [..] Al treden zwellingen hieruit op [..] die snel gecorrigeerd worden soms met psychisch geweld [..] Maria en ik waren al weer klaar [..] door wezensverandering of primaire krankzinnigheid die door steeds scheppend te zijn [..] zich niet vastzet en tot vorm komt.”
  • Bron: Anton Heyboer, brief c. 1967, aan Hans Locher
  • Aanhaling(en): Hans Locher, Anton Heyboer, Andreas Landshoff Productions b.v., Amsterdam, 1976, pp. 10-11 ISBN 978-9062100187
  • Naast veel onbegrijpelijkheid (ook voor Hand Locher zelf, de geadresseerde) geeft dit briefcitaat een indruk van hoe Heyboer zijn (toen nog twee) vrouwen bekeek en behandelde in hun commune in Den Ilp. Er klinken ook flarden door van Zen-Boedhisme
  • „Lijden. Lij-den. Het meest essentiële is een situatie scheppen die het lijden bevordert voor alle betrokken personen en dan het omvormen ervan; eerst het in gaan zien dat het lijden het leven is, en dan het om gaan vormen tot blijdschap ervan.”
  • Bron: Hetty Rosenfeld, Een Mens is maar een Mens, VPRO, 1969
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 215; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Netty Rosenfeld bezocht in Den Ilp Heyboer en zijn vrouwen en vroeg hem wat voor hem het meest essentiële van het leven was. Hij deed niets anders als omvormen, zei Heyboer nog, maar de blijdschap had hij (nog?) niet bereikt

Citaten, vanaf 1970Bewerken

  • „Als ik iets in het donker maak, wordt het juist licht. Ik kan niet zonder het duister. Mijn geest kan niet tegen het direkte zonlicht. Ik heb mezelf na zeven jaar in het schemerdonker allergisch gemaakt voor de zon.”
  • Bron: Anton Heyboer 1970, opmerking in zijn aretikel 'Leven als de honden / als de honden leven'
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 215; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Heyboer leefde met zijn drie vrouwen vanaf c. 1962 voornamelijk binnen in de schuren en stallen op zijn landje in Den Ilp. Bezoek kwam regelmatig bij hen langs, maar zij kwamen zelf weinig buiten hun zelfgekozen territorium
  • „In de afgelopen zeven jaar zijn we alle jaloezie, ijdelheid en gevoel voor tijd kwijtgeraakt [..] We verloren tevens het kontakt met de wereld. Want de hele wereld draait om ijdelheid.”
  • Bron: Anton Heyboer, zijn opmerking in 'Leven als de honden/als de honden leven', artikel uit 1970
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 215; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Heyboer leefde met zijn vrouwen teruggetrokken, uiterst sober, veganistisch, en - zoals hij zelf in een interview van 1970 zei - zonder seks, zodat ze 'vergeestelijker' konden leefden
  • „Ik wil niet bij de kunstenaars horen. Ze maken kunst, maar ze leven geen kunst. Ze hebben nog een eigen leven en maken kunst. En dat is waardoor ik eigenlijk niets met dat soort mensen te maken heb. Mijn leven is kunst en ik maak geen kunst. In dat leven raak ik dingen aan en die zijn dan ook kunst. Omdat mijn leven kunst is, is dat ook met mijn vrouwen, de vrouwen met wie ik leef. Met een vrouw leven, dat is geen kunst. Dat is een normaalheid.. (Den Ilp, september 1974)”
  • Bron: Anton Heyboer, Anton Heyboer, een leven als kunstwerk, red. Leo Duppen, tekst, Anton Heyboer & Lotti Heyboer; Lecturis, 2004
  • Aanhaling(en): 'Bruiden', website Anton Heyboer
  • De manier van samenleven van hem en zijn vrouwen in Den Ilp zag Heyboer als kunst. Met slechts één vrouw leven was voor hem burgelijk, normaal, en was creatief gezien een vorm van dood-zijn
  • „Eigenlijk ben je zelf het slachtoffer geworden van de schoonheid, die je ontketend hebt. Maar omdat het zo'n schoonheid is, die je ontketend hebt, is dat een goed lijden. Dat lijden is leven: Anton Heyboer. (Den Ilp, september 1974)”
  • „Mijn werk zowel als mijn offer dat ik nu breng zijn ontstaan uit de haat. Terug uit het concentratiekamp Prenzlauer Berg in Berlijn S.O. 14 [na mei 1945] herkende ik in mijn ouders dezelfde onwezenlijkheid die ik verder doorgevoerd als verwording boven mij had gehad. Er ontstond een intense haat tegen de mens zoals hij met zijn mogelijkheden omsprong en tevens dezelfde haat tegen mijn ouders. Deze afkeer is er nog, alleen is zij uitgesproken..”
  • Bron: Anton Heyboer, brief c. 1970-75, aan Hans Locher
  • Aanhaling(en): Hans Locher, Anton Heyboer, Andreas Landshoff Productions b.v., Amsterdam, 1976, pp. 9-10 ISBN 978-9062100187
  • Toen Heyboer na heftige ervaringen in het concentratiekamp in 1945 uit Duitsland terugkeerde naar Haarlem reageerde zijn vader erg ongevoelig; alsof hij 'te vroeg' was teruggekomen uit het werkkamp. Hij voelde zich daardoor nauwelijks welkom, thuis
  • „God in Hemel = God + God +, Hemel = God + = Maria Moeder. God van de Aarde = God en Maria Moeder en een Goddelijk + ten over. Maria-Moeder = bestaande. Gos = relatief het zijnde en +.”
  • Bron: Anton Heyboer, 1e vel van het boek (1954), in Het systeem van Anton Heyboer, uitgetikte versie 1975
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 101; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Het eerste vel van zijn boek van 1954 handelde over 'wezen', Hemel, Aarde en Jezus Christus; niemand heeft de tekst van het boek uit 1954 tot nog toe begrepen; toch is het later uitgetypt door zijn vrouwen
  • „Het relatief bewustzijn is een gewetenstoestand. Wezenlijk bewustzijn is een wezenstoestand. Het geweten is een relatief ewustzijnstoestand. Het geweten is in de Hemel ontstaan en niet wezenlijk. Geweten is het weten dat het in de Hemel is ontstaan en in wezen niet aanwezig is.”
  • Bron: Anton Heyboer, (1954) Het systeem van Anton Heyboer, uitgetikte tekst-versie 1975
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 101; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Daarbij kwam nog dat Maria voor Heyboer het in de Hemel ontstane Geweten was en God zelf het bewustzijn; dit maakt de bij Heyboer vaak gebruikelijke complexiteit / onbegrijpelijkheid nog groter
  • „De eerste bladzijde is uit de Heilige Geest, waarin ik God uitreken met een hogere vorm van wiskunde. Het hele gelul van het boek verder, dat is een afzakken tot [..] helemaal terug tot het existentialisme, Sartre, Camus..”
  • Bron: Anton Heyboer, opmerking in programma Kerkenbreed, Radio Lansmeer, 1987
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 101; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Heyboer refereerde aan zijn boek Het Systeem dat hij in 1954 maakte; het bestond uit losse vellen bruin pakpapier van c. 50 x c. 74 cm groot; negen maanden later was hij ermee klaar. Zelfs Harry Mulisch begreep het boek niet, indertijd
  • „Op zoek naar onderdak liep ik naar een kitsch-winkeltje waar iedereen hapjes stond te eten. Dat lustte ik ook wel. Ik ging naar binnen en plots stond er een grote man voor me. Dat was mijn eerste ontmoeting met Godfried Bomans. ‘Wat doe jij hier’, vroeg Bomans. Ik zit in een gekkenhuis [Santpoort] en knijp er iedere middag een paar uur tussen uit om onderdak te zoeken. ‘Zeg maar dat je een baan hebt en een onderkomen bij mij’.”
  • Bron: Anton Heyboer, 2002/03, 'zelfverklarend traktaat'
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 74; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Heyboer kijkt terug op zijn Haarlemse jaren; hij had zich in 1951 vrijwillig in de psychiatrische inrichting Santpoort laten opnemen en bleef daar 4 maanden. Bomans regelde daarna een onderkomen in het pand van kunstenaarssociëteit Teisterbant, waar Heyboer kon wonen èn assisteren op het terras

Citaten over Anton Heyboer - chronologischBewerken

  • „Afkomstig uit de technische beroepen dateert zijn werkzaamheid in de beeldende kunst van eerst drie jaar terug [herfst 1945]. Zijn werk stamt uit een fel-beleefde droomwereld. Het is mooi van structuur en knap van materiaalbehandeling.”
  • Bron: anonieme journalist, in Haarlems Dagblad, september 1948
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 33; ISBN 978-90-388-9626-7
  • De anonieme journalist geeft een indruk van het vroege figuratieve werk van Heyboer dat in september 1948 in het ‘Picturaal Venster’ aan de Grote Markt van Haarlem werd tentoongesteld; Heyboer had inderdaad een diploma technisch tekenen en werkte in 1942 bij machinefabriek Figee
  • „(19 maart:) 's Middags met Pietsie [Bomans' vrouw] naar Polly en Jules Chapon [galerie Espace, Haarlem], waar wij etsen zagen van Ton Heyboer, die ze expliceerde, hetgeen helaas nodig bleek. Opmerkelijk van smaak en reffinement, maar ik weet er niets mee te doen. [..] (20 maart:) [..] Er valt zuiverheid en smaak [in] te constateren, maar beide eigenschappen in een beperkte materie. [..] Het wil echter niets betekenen en is daardoor onaantastbaar. Nog dit: wie zozeer als Ton [Heyboer] in het nu wil zijn, snijdt de wortels van het verleden door. [..]Ton maakt van zijn leven een compositie, hij leeft "artistiek" en heeft daarna niets meer over.”
  • Bron: Godfried Bomans, 'Godfrieds dagboek' (notities januari – juni 1957), in Werken I., pp. 719-769
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 137; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Godfried Bomans trok in die tijd heel intensief op met Anton Heyboer en zijn toenmalige vrouw Erna. Ook ondersteunde hij Heyboer met een wekelijks bedrag.
  • „Op de etsen staan lijnen en figuren, krasjes en boogjes, cijfers en en enkele kleuren. [..] Men hangt alleen tussen de lijnen, die cijfers hebben waar ze in de verte kruisen of een scherpe hoek maken. Men voelt zich niet helemaal op zijn gemak. [..] De bochten, de cijfers, de lijnen bestaan voor Heyboer in een netwerk van wegen die hij zelf heeft aangelegd, waarvan hij steeds oude wegen afbreekt en waaraan hij steeds nieuwe bijbouwt in een poging systeem te brengen in een ruimte, die de ruimte is.”
  • Bron: ‘’Haarlems Dagblad’’, 19 oktober 1957
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 150; ISBN 978-90-388-9626-7
  • De journalist van het Haarlems Dagblad beschrijft hier de etsen die in galerie Espace in Haarlem hingen op de eerste solotentoonstelling van Heyboer. Tegelijkertijd beschreef hij daarmee de manier van praten van Heyboer tijdens een middag lang interview
  • „[Het was] als etskunst waardeloos door het slordige en toevallige karakter [..] Welke kwaliteiten schuil gaan onder de vette en groezelige toon van zijn afdrukken is mij niet duidelijk [..] De vooropgezette, vage en groezelige vormgeving, de stuntelig ingekraste letters schijnen er op gericht studie en ambacht van de graficus belachelijk te maken.”
  • Bron: anonieme journalist, 'Werk van Heyboer, vaag en groezelig', in Het Vrije Volk, 17 maart 1958
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 153; ISBN 978-90-388-9626-7
  • De journalist van het Vrije Volk schreef zeer kritisch over de 26 etsen die toen werden tentoongesteld in het Prentenkabinet van het Stedelijk Museum Amsterdam; directeur Sandbergen had ze al in 1956/57 aangekocht
  • „Er is in Heyboers grafiek een eigen steeds terugkerende beeldtaal, die duidelijk maakt dat we te maken hebben met een zeer bepaalde eigen werkelijkheid. Deze werkelijkheid staat geheel op zichzelf en valt buiten alles wat er verder in de moderne kunst aan het gebeuren is. Dit betekent dat deze etsen en collages moeilijk benaderbaar zijn. Ze zijn als de primitieve beelden die we kunnen tegenkomen in een volkenkunde museum.”
  • Bron: Hans Locher, Description Anton Heyboer, tentoonstelling-catalogus Van Abbemuseum Eindhoven, 1967
  • Aanhaling(en): Rudi Fuchs, 'Anton Heyboer als vreemdeling', in De Gids, jaargang 131, 1967, p. 170
  • Hans Locher bezocht Heyboer in Den Ilp vanaf 1967 vele malen en schreef later een uitgebreide biografie over de kunstenaar, in 1977 gepubliceerd
  • „Hij maakt zijn etsen en collages in de eerste plaats als een mededeling, als een voor zich zelf en zijn naaste omgeving kenbaar maken van een stadium van zijn werken naar een ongevormd en tijdloos bestaan. Ze horen bij zijn spreken. Zijn meest intense vorm van spreken zijn ze.”
  • Bron: Hans Locher, Description Anton Heyboer, tentoonstelling-catalogus Van Abbemuseum Eindhoven, 1967
  • Aanhaling(en): Rudi Fuchs, 'Anton Heyboer als vreemdeling', in De Gids, jaargang 131, 1967, p. 171
  • Heyboer zelf noteerde: de grafiek van mij is begonnen als kanttekeningen bij schrift en heeft zich ontwikkeld tot een vlugschrift alleen voor mijzelf leesbaar maar met een aanvaardbare schoonheid in zijn technische behandeling en een scherpheid van formulering, die aan de eis der moderne prentkunst voldoet'
  • „Niet aan het feit dat hij etste had hij bijvoorbeeld het te danken, dat hij was opgenomen [in de kring rondom Henri Boot, in Haarlem] maar omdat hij 'ver' was, [..] Men hoorde er bij, wanneer men nergens meer bij hoorde. Dat Heyboer 'ver' was, bleek uit het onbegrijpelijke boek, dat hij aan het schrijven was [in 1954] op vellen van een vierkante meter, maar meer nog bleek het uit zijn gemillimeterd haar..”
  • Bron: Harry Mulisch, De verteller verteld, uitveverij De Bezige Bij, 1971, pp. 86-88
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 99; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Harry Mulisch zocht Heyboer vaak op bij de schilder Boot in Haarlem, waar Heyboek inwoonde in het grote complex van Boot, boven op de zolder. Mulisch was toen c. 26 jaar, en Heyboer 30 jaar. Het citaat illustreert de artistieke scene waarin Heyboek zich bewoog
  • „Het was een vriendschap a trois, een wonderlijke aangelegenheid [..] ..in eindeloze nachtelijke gesprekken en confidenties, was er één afwezig, dan ging het altijd ook over de afwezige: tussen Bomans en mij over Heyboer, tussen Heyboer en mij over Bomans [..] Dat was geen roddelen, maar een precieuze zich steeds verfijnende plaatsbepaling van wat de ander vertegenwoordigde, zowel in Haarlem als in het wereldbestel”
  • Bron: Harry Mulisch, 1971 'bij de dood van Godfried Bomans' opgenomen in Paniek der Onschuld, de Bezige Bij B.V. 1979, pp. 61-82; ISBN 9789023406808
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 112-113; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Godfried Bomans, Harry Mulisch en Heyboer begonnen c. 1952 elkaar sterk als gezelschap te waarderen en veel uit te wisselen o.a. in de Haarlemse kunstenaarssociëteit Teisterbant; Bomans was toen 39 jaar, Mulisch 25 en Heyboer 28
  • „De ontmoeting van de 'werelden' [..] spatte rond 1958 plotseling uit elkaar. Bomans, Heyboer en ik, wij alle drie trokken weg uit Haarlem en lieten elkaar los. Misschien is dat een van de redenen waardoor elk van ons naar zijn aard radicaliseerde. Heyboer, in Broek en Waterland, dook, losgelaten, zijn oorspronkelijke apocriefe onderwereld verder in dan ooit iemand uit de kring rond [Henri] Boot; hij is daar nu onbereikbaar geworden.”
  • Bron: Harry Mulisch, 1971 'Hij minder en minder' opgenomen in Paniek der Onschuld, de Bezige Bij B.V. 1979
  • Aanhaling(en): Ellen Stoop, 'Mulisch' vriendschap met Godfried Bomans en Anton Heyboer - Vriendschap à trois', in Literatuur, jaargang 8, 1991, p. 276
  • Met Broek op Waterland bedoelde Mulisch Den Ilp, waar Heyboer in 1962 vanuit Amsterdam naar verhuisde; ze verloren toen hun onderlinge contact. Heyboer trok zich daar geheel terug in zijn eigen denkwereld
  • „Godfried [Bomans] zag Heyboer als een echte vriend, Hij was heel geboeid door Heyboer, heel geïnteresseerd, hoewel hij dikwijls werd gekrenkt. [..] maar soms hield de vriendschap ineens op. Dan werd Heyboer ineens heel vijandig. Ik heb nooit geweten hoe dat kwam. Godfried was dan helemaal verbijsterd. Heel akelig was dat..”
  • Bron: Pietsie Bomans, 'De haat-liefde tussen Anton Heyboer & Godfried Bomans', in Hollands Diep 16., 1975
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 125; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Dit citaat van de vrouw van Bomans wordt bevestigd door Heyboer's toenmalige vrouw Erna die in hetzelfde artikel in Hollands Diep vertelde hoe Heyboer plotseling Boman ineens fel begon uit te schelden, waarna ze elkaar negen maanden niet meer hebben gesproken
  • „Ton [Anton Heyboer] kreëert op de momenten dat het leven voor hem totaal zinloos is geworden. Van pure ellende gaat hij naar zijn atelier en maakt er iets, en ziet even in een flits iets, waardoor hij weer verder kan. Niet lang. Soms maar een dag of een paar uur, nooit langer dan twee dagen. Langzaam gaat hij dan weer de depressie in of is hij heel kinderlijk of hij is depressief. Daartussenin heeft hij geen bestaansmogelijkheid.”
  • Bron: Maria Heyboer, opmerking in programma Kerkenbreed, Radio Lansmeer, 1987
  • Aanhaling(en): 'Bruiden', website Anton Heyboer
  • Maria (Brand) Heyboer is één van zijn drie/vier vrouwen die met Anton Heyboer en elkaar samenleefden in hun onderkomen in Den Ilp. Zij was de eerste vrouw die met Heyboer vanuit Amsterdam naar Den Ilp trok, in 1962
  • „Hij gelooft zelf totaal niet in zijn werk als artiest en zegt dat hij er dwars doorheen kijkt, alleen even dat ene moment van kreëeren. Dan ziet hij even iets. Maar als dat voorbij is, blijft er geen geloof over als houvast. Hij moet steeds uit het totale niets kreëren en in het totale niets verkeren om tot kreatie te komen.”
  • Bron: Maria Heyboer, opmerking in programma Kerkenbreed, Radio Lansmeer, 1987
  • Aanhaling(en): Bert Nijmeijer, Heyboer, een biografische speurtocht, Nijgh & Van Ditmar, 2012, p. 98; ISBN 978-90-388-9626-7
  • Heyboer ging in die tijd van moment naar moment; er was geen ontwikkeling in het werk te zien. Hij maakte duizenden etsen als duizenden momentopnames, aldus zijn biograaf Nijmeijer

Galerij van werkenBewerken

Externe linksBewerken